Maastricht

· Maastricht, stedenbouw
Authors


Voor fotomateriaal betreffende Maastricht zie mijn weblog: Tibaert

1. HISTORISCH OVERZICHT

1a. Inleiding

De stad die vanaf 1868 ontmanteld wordt heeft ruimtelijk nog nagenoeg dezelfde omvang als ze had op het einde van de middeleeuwen, de periode waarin ze tot grote economische en culturele bloei kwam. Vanaf de 16e eeuw verschuift het belang van de stad meer en meer richting het strategisch-militair aspect. De onafhankelijkheid van België in 1839 betekent voor Maastricht het einde van zijn militaire functie en merkwaardig genoeg het begin van een economische opbloei ondanks het verlies van een groot gedeelte van het achterland. Maastricht wordt een redelijk belangrijke industriestad en weet haar regionale functies op het gebied van handel en bestuur te continueren.

In de volgende paragraaf wordt een beknopte historische schets gegeven van de ruimtelijke, politieke en economische ontwikkeling van Maastricht tot in het begin van de 19e eeuw. In de daarop volgende paragraaf wordt dieper ingegaan op de diverse artefacten van de stedelijke ontwikkeling tot aan de Eerste Wereldoorlog.

1b. Historische schets van Maastricht tot omstreeks 1830

Om meer inzicht te krijgen in de huidige ruimtelijke structuur van Maastricht is het van belang te weten om welke redenen op deze plaats en in deze vorm een stad is ontstaan en zich vervolgens op een bepaalde wijze heeft ontwikkeld. Niet uit het oog mag worden verloren dat de overgeleverde vormen van vóór de industrialisering een geheel andere functie vervulden in het stedelijk proces dan in de periode vanaf de industriële revolutie. Deze revolutie in economische en sociale zin betekende voor de bezittende klasse, de stedelijke bourgeoisie, ook een zich afkeren van het cultureel erfgoed en een in letterlijke zin afstand nemen van de drager bij uitstek van die traditie: de stad. Binnen de context van het kapitalistische productieproces ontstond later als reactie de monumentenzorg, het middel tot herbouw van een “verwoest Arcadië”. In de historische ontwikkeling valt aldus onder meer waar te nemen welk proces het burgerlijke denken doorliep en welke ideologie als dekmantel diende om de maatschappelijke realiteit te duiden.

In de navolgende schets bepalen we ons hoofdzakelijk tot het aangeven van het vóór-kapitalistisch grondgebruik, rechtsvormen e.d., die het meest manifest tot uiting komen in de stad-land tegenstelling. Het is met name deze tegenstelling die later onder druk van het (stedelijk) kapitalisme het meest versluierd wordt .

In diverse studies is er reeds op gewezen dat de steden van het Maasland in de middeleeuwen samen een tamelijk gesloten en uniek economisch gebied vormden. Een keten die reikte van Dinant in het zuiden tot Maastricht in het noorden, de z.g. steden van de Lorengs of Lotharingers. Voor een beter begrip ten aanzien van de ontwikkeling van elk dezer steden dient deze samenhang onderkend te worden. Het internationale karakter van deze “stedenband” blijkt uit de vele en verre handelsbetrekkingen, een navenant goed verkeersnet en de vroege juridische status als stad, zoals Huy in 1026, als eerste stad van het Duitse Rijk.

Illustratief voor de toestand in het Maasland van die dagen is het oudste geschrift in de Nederlandse taal uit 1168 door Henric van Veldeke, waarin Maastricht bezongen wordt:

Aen eynre ghemeynre straten Van Inghelant in Ongheren Voer Colne ende voer Tongheren; Ende alsoe dies ghelijck Van Sassen in Vrancrijk Ende mit scepe die des pleghen Te Denemerken ende te Norweghen. Die weghe versamenen sich all dae. Des is die stadt daer nae Gheheiten Traiectum…

Als cultuurcentrum bereikt het Maasland zijn hoogste bloei in de 11e en 12e eeuw, als eerste regio in de Nederlanden.

Vanaf de 12e eeuw neemt het Maasland in het noord-westelijke deel van Europa een vooraanstaande economische plaats in. De stedelijke economie steunt overwegend op de textiel- en metaalnijverheid in samenhang met een veelomvattende handel over langere tot zeer lange afstand. Het Luikse Maasgebied moet beschouwd worden als de bakermat van de lakenweverij. Vanaf het begin van de 13e eeuw wordt al Luiks laken verkocht in Venetië en Genua. Maastricht bezit in 1264 reeds een volmolen, uit het jaar 1276 zijn tevens statuten van de ‘gewantmakers’ bekend. De stad kent verder een eeuwenlange handelstraditie, die uiteindelijk teruggaat tot de tijd van de Romeinse kolonisatie, toen Trajectum ad Mosam al een handelsplaats van betekenis was. Op deze plaats was een belangrijke en de meest noordelijke Maasovergang gelegen op de route van de z.g. weg van Brünhilde. Later wordt deze de belangrijke handelsroute van Keulen naar Brugge en Antwerpen. In de Frankische periode bezat de stad zelfs al het tol- en muntrecht.

Maastricht is een knooppunt van handelswegen, waarbij de Maas de van nature aandiende weg is voor het transport van bulk goederen als hout, leien, hardsteen, steenkool, kalk en mergel. Een deel van de burgerij van de stad houdt zich bezig met de tussenhandel tussen Rijn en Schelde, alsmede met de handel en scheepvaart op de Maas. Het kwartier waar de schippers en kooplieden zich vestigen valt samen met de plaats van het vroegere Romeinse Castellum.

afbeelding rechts boven: tekening uit ca. 1460 van de Koningskapel

topografische ondergrond kaartjes

De industriële productie in de late middeleeuwen draagt nog voor een gedeelte een luxe karakter, speciaal waar het de exportproducten betreft, met name textiel- en metaalwaren. Genoemd worden als handelsartikel naast allerhand voedselproducten: wapens, harnasstukken, goud- en zilverwerk, koperen ketels, potten en pannen, schotels, messen, scharen en spijkers; verder potas, was, teer en pek, natuursteen, zout, textielwaren, garen en band; zelfs hoeden en mutsen en fijne lederwaren worden verhandeld alhoewel toch de kleinste stad een kleermakers- en schoenmakersgilde bezat. Verder handel in olie en zeep, aardewerk, glas (in Maastricht wordt Venetiaans glas geproduceerd), terwijl papier zelfs op ruime schaal wordt verhandeld. Uit de reeds genoemde statuten valt iets op te maken over de toestand van de lakenweverij. Er wordt gewerkt door meesters, die eigen werkplaatsen hebben, en door knechten, die in hun dienst staan. Door de magistraat van de stad zijn keurmeesters aangesteld, die met het toezicht over de arbeid der wevers en vollers zijn belast; makelaars treden op als tussenhandelaar tussen koper en verkoper van lakens.

Behalve het samenstel nijverheid-handel is er binnen de stad agrarische bedrijvigheid losstaand van de in hoofdzaak locale handel in landbouwproducten. Het agrarisch aspect komt in de stad duidelijk tot uitdrukking na de bouw van de tweede omwalling. Typisch genoeg zijn het de ‘vermaastrichtse’ gebieden van de Vroenhof, die hiertoe bestemd zijn (vergelijk de tekeningen 2, 4 en 5). Dat ze deze bestemming enkele eeuwen lang behouden hangt waarschijnlijk samen met het karakter van vestingstad, die Maastricht steeds meer krijgt. De stedelijke economie drukt haar economisch overwicht uit over het omringende platteland hetgeen juridisch bevestigd wordt door het verlenen van stadsrechten, “uitneming uit het gemene landrecht met een zekere mate van zelfbestuur”, tezamen met de toestemming tot het ommuren van de stad. Hierin wordt het feitelijke einde van de feodale structuur voor de stad bevestigd en het mercantilistisch karakter tot uitdrukking gebracht. Het stedelijk grondgebied wordt nu praktisch vrij van belastingen aan de landheer en vrij vervreemdbaar en erfelijk. Bezien we de ruimtelijke neerslag van de belangrijkste stedelijke functies vanaf de eerste omwalling van 1229, dan krijgen we het beeld zoals in kaart 2 is weergegeven.

Vanaf de 13e eeuw intensiveert het economisch proces in de stad reden om over te gaan tot vergroting van het stedelijk gebied. Het is vooral de “draperie”, de lakennijverheid, geconcentreerd in het noorden van de stad en grotendeels gevestigd buiten de bestaande omwalling, die sterk in omvang toeneemt. Ruim één eeuw na de eerste omwalling van de stad verrijst dan ook een tweede stadsmuur, die het stedelijke gebied een 3 à 4 maal grotere omvang verleent. Het zijn op de eerste plaats de lakenweverijen en de leerlooierijen die een sterk stempel gaan drukken op de vorm en omvang van de stad.

Het woon- en werkgebied van de lakenwevers strekt zich uit tussen Boschstraat en Maas. Zoals de meeste takken van nijverheid is het een typiese huisindustrie. De ambachtslieden zijn verenigd in het gilde der gewantmakers, waartoe naast de wolververs ook de ververs en droogscheerders zijn aangesloten. De keuring van het stof is aan strenge eisen onderworpen en geschiedt in de Lakenhal op de huidige markt. Naast de lakenweverij heeft ook de linnennijverheid in Maastricht enige betekenis. De andere belangrijke industrie, de huiden- en leerverwerkende industrie, had al eerder bloeiende pelterijen, waarvoor de huiden uit de Ardennen, Scandinavië en Oost-Europa kwamen. Later levert deze industrie veel werk op door defensie-orders. De aanwezigheid van snelstromend water bevordert, doordat het zowel voor de aandrijving van de twee volmolens en papiermolens kan worden aangewend als voor het wassen van de grondstoffen bij de lakennijverheid en de leerlooierijen, de groei van genoemde industrieën als ook de papierindustrie. Het is dus begrijpelijk dat vooral de leerlooierijen in de omgeving van de Jeker zijn gevestigd. Opmerkelijk is dat de voornaamste takken van nijverheid geheel binnen het gebied van de tweeherigheid vallen (zie kaart 2 en 3).

De gunstige economische omstandigheden in de stad bewerkstelligen een zekere migratie vanuit het platteland. deze immigratie wordt bovendien in de hand gewerkt door de vaak onveilige toestand op het platteland, waarvan de strijd tussen landheer (de prins-bisschop) en stad, die haar invloed wil uitbreiden, meestal de oorzaak is. Zo wordt nog al eens op last van het kapittel van Sint Servaas, dat elf banken (dorpen) bezit, een ‘vijandelijk’ dorp platgebrand en de bevolking uitgemoord. De voornaamste drijfveren van het stedelijk machtsstreven moeten gezocht worden in de onafhankelijkheid die de stad ten aanzien van het platteland wil innemen inzake de voedselvoorziening (granen), daarenboven de vermeende concurrentie van de plattelandsnijverheid zoals van wol en bier. De positie van het platteland wordt steeds verder uitgehold door het grondbezit dat de stedelijke burgerij zich buiten de stad verwerft. Een versnippering van de hoeven wordt hierdoor in de hand gewerkt. Verder speelt in deze stad-land tegenstelling de regulering van de warenhandel via de stedelijke markt een niet te verwaarlozen rol. Naast enkele jaarmarkten wordt er namelijk “op meer dan een dag per week gewone markt’ gehouden, welke een lokaal of regionaal karakter heeft en dient ter verzorging van de stadsbewoners. Zelfs levensmiddelen moet de landbevolking via de stadsmarkt betrekken. Naast dit alles tracht de stad elke bouwactiviteit in de directe omgeving tegen te gaan uit het oogpunt van militaire verdediging. Vanwege dit aspect werd onder andere het dorp Sint Pieter meermaals platgebrand. Het grondbezit in de stad raakt voor een belangrijk deel in handen van de drie kapittels en allerhand kloosters; de landadel bezit slechts enkele z.g. refugiehuizen om in tijden van onrust naar de stad te kunnen uitwijken. Daarnaast verwierven handwerkslieden en ook kooplieden grond zowel in de stad als daarbuiten. Van het verschijnsel “Landflucht”, voor het eerst optredend bij grote Italiaanse stad-staten en later ook in Vlaanderen en Holland, zal bij Maastricht tot in de 19e eeuw nauwelijks sprake zijn. Als factor speelt hier de geringe bevolkingsomvang en -dichtheid in vergelijking met de grote Europese steden. Exacte cijfers betreffende het verloop van de Maastrichtse bevolking zijn overigens niet bekend.

Een opmerkelijk bestuurlijk facet zal Maastricht zes eeuwen lang, van omstreeks 1200 tot 1794, blijven kenmerken en dat is de tweeherigheid, tenminste naar buiten toe. In de stad zelf zijn nog meerdere soevereine gebieden te onderscheiden met onder meer een eigen rechtspraak. Dit bestuurlijk geheel vormt een ingewikkeld complex van verhoudingen, weergegeven op tekening 3. Elk rechtsgebied kenmerkt zich door een eigen karakter. Het eigene komt bovenal tot uiting bij de kerkelijke bezittingen; van deze is het Sint Servaas kapittel veruit het belangrijkste. Zijn legitieme opvolger is de nog steeds bestaande stichting “Burgerlijk Armbestuur”. De verschillende rechtsgebieden zijn een voortdurende bron van wrijving. Om bijvoorbeeld de grenzen van al deze gebieden vast te leggen worden door de te onderscheiden autoriteiten “limietbeschrijvingen” opgesteld. Deze hadden tevens betrekking op gebieden buiten de feitelijke stad.

Naast de indeling in rechtsgebieden is de stad verdeeld in 13 kerspelen (wijken), vanaf de 17e eeuw 14. waardoor het mogelijk wordt enkele belangrijke taken onder de burgers te verdelen, zoals de stadsverdediging, wijk- en brandwacht. Deze op de ruimte georganiseerde organisatie is niet de enige waaraan de burgers van de stad onderworpen zijn. Van meer belang zijn zeker de gilden,vrije ondernemers zijn practisch alleen de kooplui. Voorts kennen we nog de ‘putten’ en de ‘confrerieën’. Kerkelijk is de stad verdeeld over 4 parochies. Bestuur en rechtspraak wordt in eerste instantie bepaald door de stedelijke raad, verder door de gilden en kapittels. Tevens oefenen de landheren een grote invloed uit op het bestuur van de stad. De zaak wordt nog gecompliceerder als de stad een garnizoen binnen de veste gelegerd krijgt, waarover de stedelijke raad geen zeggenschap heeft.

Uit de 15e eeuw zijn slechts van enkele Europese steden demografische gegevens bekend. Nürnberg bijvoorbeeld telde in 1440 een inwonertal van 20.165 burgers. Uit studies van de demografische ontwikkeling van Maastricht is aannemelijk gemaakt dat het werkelijke aantal inwoners tot aan de 16e eeuw heeft geschommeld tussen de 10.000 en 15.000 inwoners. Een vergelijking met belangrijke steden uit die periode geeft aan dat Maastricht dan een vrij beduidende plaats is. De stedendriehoek Luik-Aken-Maastricht is op het einde van de Middeleeuwen zelfs een van de dichtsbevolkte delen van het Duitse Rijk ten noorden van de Alpen. Voor wat betreft de 16e eeuw geven schattingen een inwoneraantal van rond de 18.000 inwoners aan; in 1582 echter, na het beleg van Parma, wonen in de twee belangrijkste parochies, Sint Nicolaas en Sint Matthijs, nog slechts 5880 mensen. Dit relatieve lage getal duidt op de uit verschillende bronnen bevestigde berichten over een slachting onder de burgerbevolking bij de inname van de stad door de Spanjaarden, bekend onder de naam “Spaanse furie”.

Door het ontstaan in de tweede helft van de 16e eeuw van nieuwe economische en politieke nationale machtsconcentraties in Europa, met name de opkomst van Holland en Engeland, ook als koloniale machten, met de Rijn als voornaamste handelsroute, zakt de Maashandel grotendeels in. Anterpen wordt het knooppunt van het zakenleven. Deze ontwikkeling treft Maastricht minder als Venlo. Venlo bezat het stapelrecht en was lid van de Duitse Hanze, waarvan Maastricht, als Brabantse landsheerlijkheid, nimmer lid is geweest. De Maastrichtse handel behoudt slechts regionale betekenis en dan nog voornamelijk ten behoeve van het transport van grondstoffen. De broederschap der Schoonse Verderen was reeds in 1525 opgeheven. In deze handelsmalaise worden de belangrijkste takken van nijverheid meegetrokken, de weverijen met enkele duizenden wevers en de leerlooierijen, met als gevolg een proletarisering van de bevolking. De economische depressie in de zestiger jaren van deze eeuw, scherpe daling van de lonen en grote werkeloosheid, riep felle reacties in handels- en ambachtskringen op. Het bevreemdt niet dat in deze constellatie een sterke opkomst van het Protestantisme te noteren valt, in Maastricht wordt het aantal hervormingsgezinden op 2000 geschat. In 1566 lopen de tegenstellingen binnen de burgerij zo hoog op dat de stad aan de rand van een burgeroorlog staat. Nog is Maastricht een van de grootste en rijkste steden van de Nederlanden doch de stedelijke economie, die een sterk op export en op exclusiviteit gericht karakter heeft, krijgt de genadeklap door het toenemend strategisch belang van de stad in de ‘nationale’ belangenstrijd. Vanaf de legering van een Spaans garnizoen tussen 1567 en 1577 na 350 jaar onafhankelijkheid binnen de veste krijgt de stedelijke economie een totaal nieuwe kwaliteit, waarbij het garnizoen de bepalende factor wordt. de omvang van dit huurlingenleger bedraagt meertijds rond een kwart van de werkelijke bevolking.

Als kenmerkende eigenschappen van een vestingstad, zeker als “l’une des plus fortes placas de l’Europe”. kunnen gelden het autonome èn het geïsoleerde karakter van de stad met een hoog percentage aan onproductieve bevolking. Om een min of meer onafhankelijke positie te kunnen handhaven en de lasten van de vreemde compagnieën huurlingen te dragen ontstaan naast de aanwezige nijverheid en de noodzakelijke tuinbouw nieuwe bronnen van nijverheid, naast wapenindustrie en destilleerderijen ook steenbakkerijen en een glasblazerij. In totaal telt Maastricht in de 16e eeuw nog 23 georganiseerde gilden, sinds de inname van de stad door Parma echter zonder hun vroegere privileges. Het gewantmakersgilde, financiers van de Lakenhal en de Sint Matthijskerk, was steeds veruit het belangrijkste geweest, maar uitgerekend dit gilde verloopt geheel tijdens de Tachtig Jarige oorlog. Debet hieraan zijn de ontstane handelsbelemmeringen. De bevolking neemt geleidelijk toe en bereikt rond 1650 haar voorlopige top met ruim 20.000 inwoners. Deze groei valt samen met een lichte economische opbloei, gestimuleerd door de Republiek. De economische en politieke verschuivingen in de stad worden gesymboliseerd door de bouw van een stadhuis door een Hollandse architect. Hiertoe wordt de bestaande Lakenhal afgebroken.

Naast de eigen bevolking moet de stad dus onderdak verschaffen aan een garnizoen, vanaf 1632 tot op het einde van de 18e eeuw hoofdzakelijk Hollands, ongeveer bestaand uit 1500 man infanterie en twee ruitercompagnieën. In totaal ongeveer 3200 officieren en manschappen. Vaak is dit zelfs meer, zoals in september 1672 als de omvang van het garnizoen stijgt tot bijna 9000 man. Tot dit tijdstip wordt het grootste gedeelte ingekwartierd bij de burgerbevolking. de kapittels en kloosters zijn vrijgesteld van inkwartiering. 1632 is ook het jaar dat in de ‘Recueil derrecessen voor de regeeringhe der stadt Maastricht” een bouwverordening wordt opgenomen, die

“aan betrekkelijk hooge eischen”voldoet en waaraan Maastricht“veele prachtige gebouwen uit de zeventiende en achttiende eeuw te danken heeft”. Hoe zag de realiteit er toendertijd uit?

afbeelding rechts boven: het Sint Servaas Gasthuis uit de 12e eeuw, het oudste gasthuis in de Nederlanden (oorspronkelijk ter verpleging van zieken, vanaf omstreeks 1400 ook de armen) afbeelding onder: het Vrijthof tijdens het carnaval van 1841 (historische optocht over de blijde inkomst van Karel V)

Uit diverse bronnen valt ten aanzien van de huisvesting in 1639 het volgende beeld te reconstrueren (zie ook tabel 1 ):

– afgezien van een klein aantal woningen gelegen in exterritoriale gebieden, duiden de gegeven aantallen waarschijnlijk op de welstand van de bewoners en uiteraard op de grootte der woningen;

– voor 1632 waren er nog 2900 bewoonde woningen, in zeven jaar tijds dus een verlies van 400 woningen;

– de kwaliteit van de meeste woningen is vrij slecht en is rampzalig bij pestepidemieën: huizen van leem met strodaken zijn de ideale woonplaatsen voor de bacillen dragende rat; dit soort woningen zijn uiteraard ook potentiële brandhaarden;

– stenen huizen zijn slechts weinig in aantal: refugiehuizen, kloosters en kanunnikenhuizen; voor het Vrijthof, het voornaamste plein, komt pas in 1612 de verplichting om huizen in steen te bouwen;

– straten, en dan vooral in het gedeelte van de stad buiten de eerste omwalling, worden gebruikt als mestvaalt; slagers slachten hun varkens op straat en laten de rest gewoon daar achter, enz.;

– de in het algemeen kleine tot zeer kleine woningen worden bewoond door gemiddeld zes personen.

De bevolkingsontwikkeling tijdens het “Hollands Tijdperk” geeft nagenoeg eenzelfde curve als die van Antwerpen en Gent te zien. Dit betekent een zekere stabilisatie tot het midden van de 18e eeuw en dan een lichte terugval, met in 1777 een dieptepunt als Maastricht nog slechts ruim 15.000 inwoners heeft. Inzicht in het welvaartspeil van de bevolking ontbreekt nagenoeg en kan slechts geconstrueerd worden uit vrij vage feiten, zoals de bedeling, toevloed van paupers vanaf het platteland, het aantal wezen en dergelijke meer. Exacte cijfers met betrekking tot mortaliteit en migratie ontbreken zelfs geheel. Er kan aangenomen worden dat er een grote kloof is tussen de gefortuneerden tezamen met een bepaald gedeelte van het garnizoen en diegenen die hiervan profiteren enerzijds en een groot deel van de bevolking levend aan de rand van het bestaan anderzijds. Op het eerste, de welstand, wijzen de vernieuwing en uitbreiding van vele woningen, overwegend bestemd voor de stedelijke elite en onder anderen officieren heen. Voeg hierbij de accijnsen opgebracht door de militairen en de commercie, die het garnizoen met zich meebrengt. Ook het aantal renteniers, figuren die teren op de pacht van hun landerijen of inkomsten uit handel etc., ondersteunt het beeld van een welvarende minderheid.

Een belangrijk deel van de bevolking heeft nauwelijks inkomsten vanwege het ontbreken van voldoende en gevarieerde werkgelegenheid. De belangrijkste takken van nijverheid zijn de feitelijk direct met de legering van het garnizoen samenhangende: wapenindustrie en alcoholische drank, bierbrouwerijen en jeneverstokerijen. Wat kleinbedrijven en café’s pikken een graantje mee. De overige industrie heeft nog slechts een ambachtelijk en luxe karakter: leer, goud- en zilversmeden en glas. Op het einde van de 17e eeuw wordt wel de grondslag gelegd voor de later belangrijke spijker- en draadnagelindustrie door van elders verdreven protestanten. Het kwijnende economische draagvlak van de stad wordt verder versmald door dat de handel in Luikse handen geraakt.

We kunnen gevoeglijk stellen dat het vroegkapitalisme, al tot bloei gekomen in de Oostenrijkse Nederlanden, Maastricht geheel voorbij gaat. Zoals aangeduid valt deze ontwikkeling toe te schrijven aan het specifiek politiek-militaire karakter van Maastricht. Dit karakter springt des te meer in het oog als we de toestaand in Maastricht vergelijken met die van de ‘zusterstad’ Luik. In tegenstelling tot Maastricht maakt Luik wel vanaf het begin van de 17e eeuw een sterke expansie door, economisch en ruimtelijk. Luik had dan ook het voordeel militair-strategisch van weinig belang te zijn. Door het voeren van een neutraliteitspolitiek kon het zijn handel sterk uitbreiden, handel die onder meer steunde op de aanwezigheid van belangrijke grondstoffen in de directe omgeving van deze stad. Maastricht behoudt weliswaar betekenis als kruispunt van scheepvaart- en postdiensten, maar dat stelt t.o.v. Luik weinig voor en zinkt zeker in het niet in vergelijking met de Hollandse zeehandel. Vanuit de Hollandse burgerij bezien zal Maastricht niet meer zijn dan een ‘binnenlandse’ vestingstad, die in vredestijd minder belangrijk is dan Indische plantages, oosterse kruiden, enfin, de hele handel en wandel van de Oost-Indische Compagnie.

Onder de genoemde omstandigheden ondergaat Maastricht dan ook geen ingrijpende veranderingen in ruimtelijk opzicht. Het opmerkelijkst zijn de uitbreidingen van de vestingwerken, die uiteindelijk een groter oppervlak in beslag nemen als de stad zelf. Het “Hollands Tijdperk” is in zoverre van belang voor de hedendaagse toestand omdat een groot gedeelte van de huidige bouwmassa in de binnenstad stamt uit dit tijdperk. Op grootscheepse wijze waren de houten en lemen huizen vervangen door stenen panden. Deze leveren momenteel de monumentale façade voor burgerlijke en kapitalistische zienswijzen en handelingen. Kristallisatiepunt was en is nog steeds het Vrijthof, de paradeplaats bij uitstek.

De Franse politiek volgend op de Revolutie bezorgt Maastricht een geheel nieuw politiek en economisch perspectief en vormt een cesuur in de historische ontwikkeling. Bij verdrag wordt ondermeer Maastricht overgedragen aan de Franse Republiek. Ze wordt hoofdstad van het “Département de la Meuse Inférieure” en zetel van de prefectuur. Het gehele overgeleverde en krakkemikkige maatschappij-stelsel wordt in een klap afgeschaft: bestuurlijke (de tweeherigheid) en juridische instellingen, de clerus met al zijn kapittels, kloosters en kerken, het gildewezen. Hand- en spandiensten en de ‘tienden’ verdwijnen. Een ongekende bureaucratie komt voor dit alles in de plaats.

Terwijl de Bataafse Republiek op handelsgebied gekneveld wordt streeft de Franse bourgeoisie naar een het hele rijk omvattend handelsgebied. Hiertoe behoren ook de ingelijfde gebieden. De industriële mogelijkheden worden onderzocht, kanalen en wegen worden aangelegd of verbeterd. Tevens wordt het een en ander gedaan aan de leefomstandigheden van de bewoners. Uit deze tijd dateren de eerste plannen om de Maas met de Rijn te verbinden ten faveure van het departement van de Nedermaas. Het Maas- en Rijnland zou een rechtstreekse verbinding met Antwerpen krijgen via een kanaal tussen deze havenstad en Maastricht.

In de onmiddelijke omgeving van Maastricht worden de veranderingen al snel zichtbaar door het aanleggen van steenwegen naar Tongeren en Venlo, deze laatste als onderdeel van de nationale route Parijs – Hamburg. De verkoop van kerkelijke goederen vormt in de stad Maastricht zelf de eigenlijke aanzet tot ruimtelijke herstructurering. Vooralsnog worden de kerkelijke gebouwen in gebruik genomen voor militaire voorzieningen.

Aan al deze vaak zeer ingrijpende veranderingen wordt een abrupt einde gemaakt als na twintig jaar het Franse rijk ineenstort en de zuidelijke Nederlanden ingedeeld worden bij het gecreëerde koninkrijk onder Willem I. Maastricht wordt wederom een Hollandse stad en daarvan ervaart de stad practisch alleen maar grote nadelen. De politiek die de nieuwe Nederlandse staat onder Willem I voert steunt geheel op het handelskapitaal en de daarmee vervlochten belangen. Er worden pogingen ondernomen om het in Wallonië tot expansie komend industrieel kapitalisme door een direct ingrijpen aan de belangen van het handelskapitaal ondergeschikt te maken. Om dit te doen slagen wordt een politiek proces van neerlandisering in het Luikse ingezet. Een speerpunt functie daarbinnen krijgt de wetenschap met de stichting van een universiteit in Luik, nota bene de oorspronkelijk onder het Franse bewind aan Maastricht toegewezen instelling. Nu wordt echter een tegengestelde koers van cultuurimperialisme gevaren.

Op sommig gebied is de Nederlandse politiek volledig reactionair. Zo worden de kerkelijke, Roomse, instituten volledig in hun oude luister hersteld om de stedelijke elite gunstig te stemmen voor het nieuwe Hollandse bewind.

Om de inpassing van de Waalse exportnijverheid, ijzer- en staalindustrie, in het Nederlandse handelswezen te bewerkstelligen worden infrastructurele maatregelen genomen, zoals het graven van de Zuid-Willemsvaart. De onmisbare schakel in dit kanaal, de verbinding tussen Luik en Maastricht, komt pas in 1850 tot stand. De Belgische Opstand had roet in het eten gegooid. Ten aanzien van de kolen- en staalindustrie neemt Maastricht langdurig een nadelige en zelfs geïsoleerde positie in. Terwijl in het Luikse het kapitalistisch productieproces tot volle wasdom komt en zelfs toonaangevend is op het Europese continent geraakt Maastricht in een politieke en economische impasse dankzij het fanatieke optreden van generaal Dibbets en consorten. Het politieke klimaat in de stad is overwegend Belgisch georiënteerd tijdens en na de Belgische afscheidingsbeweging. Er heerst een sterke liberale en ten dele zelfs een progressieve stroming gedragen door een kleine groep lieden, waaronder de Saint-Simonist Weustenraad. De meesten van hen wijken bij de consolidatie van het Nederlands bewind naar het buitenland uit. Gebleven zijn gelukkig wel de ‘sjoen meitskes’:

Mer wèt geer wèl, men beste kinder Dat in Mastreech schoen meitskes zien! Wee admireert neet hun blouw ouge Hun sniewit vèlke wie satien! Wee is hun knappe liefgestalte Hun frisse kuntsjes neet bekind! Ich b’laof uch dat geer wiet zult reize Ie dat ger al wat beters vindt! Het regiem, beleg genaamd, van Dibbets duurt tot 1839, maar ook daarna wordt de stad bewust sterk benadeeld op politiek en economisch gebied. Tijdens de periode 1830-1839 verkeert Maastricht nog in een fase van vroegkapitalisme. Op industrieel gebied is er louter sprake van kleinbedrijf met locale afzet. Slechts de papiermolen van Aug. Lekens met in 1819 al 120 arbeiders kent een behoorlijke export, weliswaar hoofdzakelijk naar Luik. Enkele andere bedrijven, zout- en zeepziederijen, kousenfabrieken, touwslagerijen, grutterijen, cichoreifabriek, drijven ook handel met het buitenland, in het bijzonder met Pruisen en ook wel met Frankrijk. De concurrentie vanuit het buitenland drukt echter zwaar, vooral op de middenstand. Opvallend is verder dat Maastricht weinig huisarbeid kent. Economisch is de doorvoerhandel het belangrijkst. De opening van de Zuid-Willemsvaart in 1826, de Maas was te vaak onbevaarbaar geworden, betekent een stimulering van de handel. Beurtveren op Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht worden geopend. Antwerpen weigert. De haven is al snel te klein en de kaden te smal… Steenwegen naar Aken en Verviers worden aangelegd en reeds in 1829 wordt de mogelijkheid onderzocht om een ‘ijzeren weg’ naar Luik aan te leggen. In deze historische schets is de rol van de Roomse kerk onderbelicht gebleven. De ruimtelijke neerslag van de kerkelijke instellingen drukt heden ten dage nog een stempel op de stad. Om ons niet te verliezen in een historiserend verhaal worden hier slechts enkele punten gememoreerd die relevant zijn vanwege hun belang voor het recente verleden en het heden: – de maatschappelijke invloed van het kerkelijk instituut, dat zelfs tot voor kort in werkelijk alle facetten van het leven doorwerkte tot in de directe werkomstandigheden toe, nu nog vaak dominerend aanwezig in het onderwijs en de maatschappelijke dienstverlening; – het tweeledig karakter van de kerk: enerzijds de typisch feodale structuur van de kerk als organisatie, anderzijds het communautaire karakter van de kloosters, die in dienst van die kerk staan; – het bezit van de kapittels en kloosters, gebouwen als kerken en kloosters, gast- en weeshuizen en de daartoe behorende kunstschatten, bibliotheken, e.d.; – grondbezit, oorspronkelijk grotendeels bestemd voor agrarische doeleinden, de ligging bepaald door de aanleg van de verdedigingswerken, vanaf de 19e eeuw sterk medebepalend voor de vestigingsplaatsen van de industrie en de industriële infrastructuur van de stad; – veel van het kerkelijk grondbezit is nà de Franse Revolutie uiteindelijk in handen gekomen van het zogenaamde Burgerlijk Armbestuur tot heden toe; – de functie die de kerk momenteel speelt, noodgedwongen moet spelen, als beschermster van het cultureel erfgoed, ideologisch middels de leer, in de vorm gerepresenteerd door de architectuur; dit laatste past voortreffelijk binnen de huidige opvattingen van de bourgeoisie, monumentenzorg, toerisme, etc., die een dergelijke façade best kan gebruiken om de werkelijke aan de gang zijnde stedelijke processen te versluieren; – ook de rol van de reformatie is van belang geweest, helaas vooral in negatieve zin door het misbruik dat de Roomse kerk hiervan wist te maken, bevreesd als men was voor de uitstraling van de burgerlijke revolutie in Holland; waarschijnlijk is hier de oorsprong te vinden van het door de katholieke clergé steeds aangewakkerde gevoel van afkeer van alles dat onder de noemer ‘Hollands’ gevat kan worden. Deze punten maken duidelijk dat het zeer de moeite loont in een historische analyse na te gaan welke processen binnen en in relatie met de Roomse Kerk hun weergang in Maastricht hebben gevonden. Ongetwijfeld zal gesproken kunnen worden van een historisch continium beginnend bij de overplaatsing van de bisschopszetel van Tongeren naar Maastricht door de Romein Servatius in de 4e eeuw en voorlopig eindigend met de naar fascistoïde denkbeelden lonkende Roermondse bisschop Jo Gijsen.

1c. Economische en ruimtelijke ontwikkeling vanaf 1830

De stichting van het Belgische koninkrijk onder patronage van de bankiers Rothschild betekent wederom voor Maastricht een cesuur in het historisch verloop van de stad op economisch en politiek gebied. Door de Belgische onafhankelijkheidsbeweging komt Maastricht in een structurele impasse. De handel stagneert met als gevolg enorme moeilijkheden bij de toevoer van grondstoffen en afzet van producten, waarmee een versnelde verpaupering van de bevolking optreedt. Van deze situatie maakt met name Petrus Regout gebruik door in 1833 op de plaats van het vroegere Penitentenklooster aan de Boschstraat te starten met een glasblazerij, glasslijperij, kristal en faïencery. In 1836 verder uitgebreid met een aardewerkfabriek. In al zijn fabrieken past Regout stoomkracht toe, goedkope arbeidskracht is ruimschoots voorhanden. Op deze wijze ontstaat de voor Nederlandse begrippen vroege industriële revolutie in Maastricht.

“Nous devons donc reconnaître, en résumé que si cette ville a perdu sous le rapport du commerce par sa séparation d’avec la Belgique, elle y a au contraire gagné sous le rapport de l’industrie”. De eerste bloeiperiode maakt de Maastrichtse industrie in de vijftiger van de 19e eeuw door. In nauwelijks 25 jaar vertienvoudigd het aantal arbeiders in de ceramische industrie van Regout van 198 in 1841 tot rond 2000 in 1865. Expansie valt ook te constateren bij andere aardewerkfabrieken (N. Bosch, Clermont), de spijker- en draadnagelindustrie en vooral de papierindustrie (zie tabel 2). Een zelfde beeld bij middelgrote bedrijven als de wapenindustrie van Stevens, de tabaksindustrie, de textiel en de stroopfabricage.

De geweldige macht van de kapitalisten, en dan vooral van de Regouts, drukt zich niet alleen uit in het productieproces en de daarmee gepaard gaande knechting van de arbeiders, maar beheerst ook het politieke toneel. Feitelijk het gehele maatschappelijke leven dankzij de innige samenwerking met de katholieke kerk. Geel Ubachs geeft er treffende staaltjes over weer in zijn “Een eeuw modern kapitalisme”. Het is haast vanzelfsprekend dat de stedelijke structuur geheel beheerst wordt door het kapitalistische productieproces met haar voorwaarden en gevolgen. De benodigde gronden voor de fabrieken waren practisch voor niet in handen gekomen van de bourgeoisie, het zijn de voor een groot deel onder de Franse Republiek geconfisceerde kloosterterreinen. Aanleg van de benodigde infrastructuur wordt bepaald door en is zelfs grotendeels in handen van de kleine clan kapitalisten, terwijl ook de energievoorziening voor de stoommachines veilig gesteld wordt door verwerving van een kolenmijn, de Dominiale Mijn in Kerkrade, voor het geval dat de toevoer van steenkool uit Wallonië zou stagneren.

In deze samenhang richt Regout al in 1848 een gasfabriek op om de industriële belangen veilig te stellen. Tevens kan er een extra afzetmarkt gecreëerd worden met straatverlichting naar analogie van grote steden als Berlijn, Parijs en Londen. In directe samenhang met de productiviteitsstijging staat de enorme toename van de productiekrachten, het variabel kapitaal, en de productiemiddelen, ovens, stoommachines e.d., het constant kapitaal. Zo heeft de papierfabriek Lhoest, Weustenraad & Cie in 1852 vier stoommachines, tezamen 120 pk, en vijf generatoren, tezamen 150 pk, in bedrijf. Drie jaren later uitgebreid met twee nieuwe stoommachines (zie tabel 3 ). Voor de productie van bijna 3000 pond papier per uur zijn 15.000 pond steenkool per dag nodig. Nieuwe procédé’s en uitvindingen vanuit België worden in de Maastrichtse industrie meteen ingepast.

Vanaf de 50er jaren neemt de export toe. Deze export is in het bijzonder gericht op overzeese gebieden, m.n. de Nederlandse kolonieën en Noord- en Zuid-Amerika. De hiertoe dienende infrastructuur wordt verder ontwikkeld. Als alternatief voor de Maas beschikt Maastricht over de Zuid-Willemsvaart die doorgetrokken wordt naar Luik, het kanaal Maastricht-Luik. Na de serieuze, maar uiteindelijk niet doorgegane spoorwegplannen uit 1844 met de trajecten Düsseldorf-Maastricht-Antwerpen en Zeeland-Brabant-Maastricht komen in de 50er jaren wel tot stand de spoorweg Keulen-Antwerpen via Maastricht, de rijksweg naar Venlo en de straatweg naar Bilzen. In 1861 volgt het spoor naar Luik en pas in 1865 de spoorverbinding met het noorden en westen van het land via Venlo en Nijmegen. Deze chronologie geeft vrij nauwkeurig de prioriteiten weer die de Maastrichtse industriëlen stellen, n.l. de toevoer van grondstoffen uit Wallonië en de afzet van de productie in het buitenland. Daarna volgt pas de binnenlandse handel, voor de regio heeft de industriële productie nauwelijks betekenis.

De Maastrichtse middenstand en met haar het kleinbedrijf en lokale handel zakken steeds verder weg mede omdat de dorpen betere winkel-voorzieningen krijgen. Tegelijkertijd wordt ook het garnizoen sterk ingekrompen. Voorts gaat de regio buiten Maastricht zich dankzij de spoorweg-verbindingen steeds meer op Aken en Luik richten .

tekening boven: het Bassin prent links: fabriek Petrus Regout

In de periode vanaf 1860 tot de Eerste Wereldoorlog volgt de herstructurering van Maastricht tot een volkomen industriestad. Belemmerend werkt weliswaar de vrijhandelspolitiek van de Nederlandse overheid, waardoor de plaatselijke industrie tamelijk machteloos komt te staan ten opzichte van het buitenlands protectionisme, maar de geslepen Regout weet deze politiek in zijn voordeel uit te buiten. De industriële groei blijft voorlopig doorgaan, groot-industrieën breiden verder uit, nieuwe, zoals de Société Céramique, worden gesticht. Pas op het eind van de 70er jaren volgen ingrijpende veranderingen. Er ontstaat een eerste vorm van kapitaalconcentratie en de vooral buitenlandse concurrentie neemt toe, ondermeer door de toenemende rationalisering en verbetering van de verkeersmogelijkheden elders. Het een en ander heeft tot gevolg dat bepaalde takken van de Maastrichtse industrie verdwijnen of nog slechts een marginale rol vervullen (zie tabel 5 ). De groot-industrie weet zich echter staande te houden.

De regionale infrastructuur blijft steken op het peil van de 50er jaren. De kanalen kunnen de scheepvaartbehoefte niet meer aan door een te geringe capaciteit. België en Holland hebben geen belang bij een verbetering van de waterverbindingen naar en van Maastricht. Pas als de Nederlandse Staat kolenvelden gaat exploiteren is

“het belang van het Zuiden ook een boven-Moerdijksch geworden”. In 1904 brengt Waterstaat een rapport met kostenraming uit, gevolgd door een rapport uit 1912 van een Nederlands-Belgische commissie, waarin het plan gelanceerd wordt tot kanalisatie van de Maas tussen Eijsden en Grave. De kanalisatie van de Maas gaat uiteindelijk niet door, ondanks het feit dat de scheepvaart op de Zuid-Willemsvaart en het kanaal Maastricht-Luik in 30 jaar tijds bijna verdubbeld is (zie tabel 6) .

Ook het spoorwegnet ondergaat nauwelijks verbetering. Pas vlak voor de WO I komt de lijn Maastricht-Weert-Eindhoven gereed, waarmee Maastricht eindelijk een goede spoorverbinding met Holland krijgt. Een tramwegnet was al op het einde van de 19e eeuw aangelegd, echter uitsluitend aan de westkant van de stad en gekoppeld aan het dichte Belgische net.

Wat vooral verslechterd in de stad zijn de sociale omstandigheden waaronder de arbeiders te lijden hebben. De lonen zijn zo laag (zie tabel 7 met de lonen uit 1863), dat zelfs de extreem conservatief-liberale gemeenteraad in 1874 tot de formulering komt dat de arbeider “niet in de gelegenheid wordt gesteld een minder afhanklijk standpunt in de maatschappij in te nemen, door zelve in eigene behoefte te kunnen voorzien”. Zoals we reeds zagen is met de groei van de productiviteit ook het aantal ‘vrije’ en van de industrie afhankelijke arbeiders toegenomen. In 1860 zijn in de glas-, aardewerk- en papierindustrie 2322 mensen werkzaam (zie tabel 4). In afwijking met andere opkomende industriesteden is in Maastricht geen sprake van toestroming vanaf het platteland. De ‘arbeidsreserve’ is daarvoor in de stad groot genoeg.

Mede vanwege het lage inkomen zijn vele gezinnen de facto horig aan de fabriek. Kinderarbeid is in Maastricht een berucht gegeven. Na het invoeren van het “Kinderwetje Van Houten” worden zelfs speciale vluchtwegen gemaakt om kinderen van zes en zeven jaar bij controle snel te kunnen wegmoffelen. Door het ongezonde en gevaarlijke werk is de (kinder-)sterfte erg hoog. Karl Marx, die enkele malen bij z’n zuster in Maastricht heeft gelogeerd, zal waarschijnlijk zijn analyses van het industrieel-kapitalisme hier bevestigd hebben gezien. De lonen van de arbeiders zijn direct gerelateerd aan de wet van vraag en aanbod. Arbeidsvoorwaarden zijn minimaal en alles wat Regout en andere industriëlen ondernemen, betreft het huisvesting of liefdadigheid, dient als middel tot het ene banale doel: winst maken. Ondanks de door de arbeiders geleverde arbeidskracht moet tot 40% van de bevolking op de een of andere manier ondersteuning vragen aan een charitatieve instelling. Dit geldt te meer in perioden met economische crises. Opmerkelijk is dat het eerste arbeidersverzet pas dateert uit de 70er jaren. Iets van georganiseerde arbeidersmacht komt zelfs nog later tot stand.

De stedelijke elite denkt op haar manier aan de niet meer toe te dekken ellende van honger, het hoge sterftecijfer en de vele besmettelijke ziekten ook uit welbedacht eigenbelang iets te kunnen doen. Naast de Sint Vincentiusvereniging en het Comité de Charité is ook de Sociëteit Momus een der burgerlijke instellingen welke zich, zij het zijdelings, bezig houdt met de problemen van de allerarmsten. Terwijl het plegen van culturele manifestaties, sport en uiteraard carnaval (dit laatste vooral om het volkse en anarchistische feest onder controle te krijgen) hoofdzaak is, doet men aan ‘chariteit’. In de woorden van het Momus reglement: “Ze geeve d’erme broed en doen de rieke laghe”. Een model-soepkokerij wordt in 1844 opgericht en een oude-mannenhuis wordt gesticht aan de Herbenusstraat. Onderwijl verwerft men panden aan het Vrijthof die in 1883 verbouwd worden tot de huidige Momus-tempel, hèt burgerlijk cultuurcentrum in Maastricht in de late 19e en vroege 20e eeuw.

De meest trouwe handlangers vinden de industriëlen bij de Roomse geestelijkheid, die voor hun liberale vrinden in de bres springen als dat gevraagd wordt. Zo kan men op 1 maart 1887 in het stedelijk blad “Courrier de la Meuse” lezen: “Verder betreuren zij (bedoeld zijn de pastoors en dekens van Maastricht – a.s.) de ongunstigen indruk, welke ten nadeele der Heeren Regout in den lande is teweeg gebracht, als zouden zij hardvochtige, meedoogenlooze menschen zijn, die zich om het lot van den werkman volstrekt niet bekreunen; daar het hier toch overbekend is dat de heele familie Regout den plicht der naastenliefde naar behooren betracht, ja zelfs, dat meerdere harer leden dien plicht op uitstekende wijze vervullen.”. De formule “hou jij ze arm, dan hou ik ze dom” wordt in de meest pregnante vorm gepraktizeerd.

De klassentegenstelling tussen de vrije ondernemer en de vrije arbeider komt het scherpst tot uiting in hun beider leef- en woonomstandigheden. Zo bewoont de familie Regout sinds 1841 het koninklijke buiten Vaeshartelt. Ondertussen moet de overgrote meerderheid van de arbeiders met hun gezin een onderkomen zoeken in een ‘kwartier’, vaak een uitgewoond burgerhuis of krot, waarvoor ze slechts met moeite de huur kunnen betalen. Vaak bestaan de arbeiderswoningen uit inderhaast opgetrokken sloppen op achterterreinen. Al deze ‘woningen’ bestaan slechts uit één of twee vertrekken bestemd tot huisvesting van in de regel meer dan tien personen. Ze zijn voornamelijk geconcentreerd in het Stokstraatgebied en in de buurt nabij de Boschstraat, het vervallen Lakenweverskwartier. Dit gebied, het Boschstraatkwartier, wordt door Regout als zijn persoonlijk territorium beschouwd. Als een soort stedelijk grootgrondbezitter bepaalt hij wat er wel en niet kan gebeuren; hoe de bewoners, zijn arbeiders dus, dienen te leven. In deze geest komt als directe reactie op de beruchte cholera-epidemie van 1866, de Cité Ouvrière tot stand, een 7 verdiepingen tellende woonkazerne. Het is de enige werkelijke bemoeienis van deze industrieel met de arbeidershuisvesting. Onderwijl houdt de conservatief-liberale stedelijke overheid zich van deze huisvestingsproblematiek verre of stimuleert indirect zelfs de wantoestanden. In de bouwverordening van 1873 staat onder artikel 2:

“Met schriftelijke toestemming van B&W kan voor hoogstens 6 nabij elkander gelegen woningen met een gemeenschappelijk secreet volstaan worden”en onder artikel 4:“Inplaats van een secreet kan ook volstaan worden met een draagbaar secreetvat (fosse mobile).”Aan riolering ontbreekt het, niettemin doet het gemeentebestuur vooralsnog niets aan in de arbeidersbuurten. Onder ‘woningen’ worden overigens panden verstaan ter huisvesting van meerdere gezinnen, met in totaal vaak tientallen personen.

De cijfers spreken duidelijke taal. Op een voor bewoning te benutten oppervlakte van ongeveer 100 ha tellen we bij het begin van de 19e eeuw ongeveer 18.000 inwoners, m.a.w. 180 inw/ha, in 1828 gestegen tot 21.000 inwoners (210 inw/ha) en in 1867 tot 29.000, hetgeen een dichtheid geeft van ongeveer 300 inw/ha. Niet inbegrepen zijn de in de stad gelegerde militairen. Bij een huizenbestand (panden) van ruim 3100 stuks in 1867 geeft dat ongeveer 9 inwoners per huis. Dit geeft echter een te rooskleurig beeld omdat, zie boven, de meeste arbeidersgezinnen slechts een onderkomen genieten op een of twee kamers. Zo zijn al in 1840 de panden in de Grote Stokstraat als volgt verdeeld: 15 huizen met slechts een gezin, 14 bewoond door 2 gezinnen, terwijl 10 huizen elk onderdak geven aan 3 gezinnen, 4 aan 4, 2 aan 5 en eentje zelfs aan 6 gezinnen. In het geheel betreft dit een bewonersaantal van ruim 400 personen. Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat Van der Aa in 1841 constateert dat Maastricht een tekort aan 1500 woningen heeft. Terwijl de bevolking gestadig toeneemt worden er nauwelijks woningen gebouwd. Tussen 1859 en 1889 is er een wat men een hausse zou kunnen noemen in de bouw van woningen. Ruim 200 worden er gebouwd en dat bij een bevolkingsgroei van 7000 mensen. Bij die 200 is de al beschreven Cité Ouvrière inbegrepen. Hoe ellendig de woontoestand voor de arbeiders en nog meer voor de werkelozen generaties lang is komt uit enkele cijfers van een woononderzoek uit 1888 tot uiting. Het merendeel zijn éénkamerwoningen, de overige 150 zijn practisch allen tweekamerwoningen. De privaten zijn voor gemeenschappelijk gebruik, in sommige gevallen worden de faecaliën zonder meer op de straat geworpen, en in slechts 5 van de duizenden gevallen is er een aansluiting op de drinkwatervoorziening. Straatbreedtes variërend van 2 tot 6 meter zijn in de arbeidersbuurten regel. De een- en tweekamerwoningen worden bewoond door vaak meer dan 10 personen, volwassenen en kinderen. De hoogten van de huren zijn met de kwaliteit en omvang van de woning omgekeerd evenredig. Voor een allerarmoedigste woning dient ƒ3,00 à ƒ4,00 per maand betaald te worden. En voor een z.g. kwartier, bestaande uit een kamer, een stukje overloop en een gedeelte van de zolder moet ƒ6,00 per maand neergeteld worden. “Zulk een huur betaalt niemand uit een andere stand”, uiteraard in relatieve verhouding tot het inkomen.

Politiek cynisme kan de stedelijke overheid verweten worden bij haar pleidooi om via uitleg van de stad te komen tot de bouw van woningen, omdat “er aan arbeiderswoningen in den volsten zin des woords, gebrek bestaat”. Zie ook tabel 9 (woningen naar grootte en bevolking in 1899). Deze politieke interventie draagt er zorg voor dat de beschikbare grond in handen van de industriëlen wordt gespeeld. Wat er dan nog gebouwd wordt zijn grote sombere huizen, bestemd voor 6 tot 12 gezinnen in tweekamerwoningen. Latere oplossingen als het Quartier Amélie en de bouw van een zestigtal woningen in de omgeving van de Herbenusstraat werken als een druppel op een gloeiende plaat. Volgens een gemeentelijk verslag uit 1898 zijn, bij de toen geldende normen, slechts 165 ‘goede’ woningen tegenover een 15.000 personen tellende arbeidende bevolking.

Gelijktijdig met de expansie van de grootindustrie verliest Maastricht zijn militaire betekenis. De druk vanuit de Maastrichtse bourgeoisie om de vestingwerken te slopen wordt in 1867 beloond. De vestingen Vlissingen, Venlo en Maastricht worden opgeheven omdat ze van geen enkel belang meer zijn voor een eventuele verdediging van Holland. De vrij gekomen gronden worden in eerste instantie benut ter uitbreiding van de reeds aanwezige industrie. Regout (Sphinx), glas – en aardewerk, Lhoëst (KNP), papier, en Société Céramique, aardewerk. De infrastructuur was al zo goed en zo kwaad als het kon aangepast aan de industriële behoeften, in het bijzonder de aanleg van het Kanaal Maastricht-Luik en diverse loskades, ondanks de belemmering van de vestingwerken. Door de ontmanteling van de stad kan de infrastructuur optimaal afgestemd worden op de belangen van de bezittende klasse en haar bedrijven. Begonnen wordt met een ringweg om de stad en een weg, de z.g. Percée, richting het spoorstation. Deze singels dienen om er de woonsteden van de burgerlijke klasse aan te situeren. Ten zuiden van de stad wordt, gekoppeld aan de middeleeuwse Nieuwstad, het Villapark aangelegd. Er is hier ook voorzien in de bouw van een nieuwe schouwburg. Frapperend is dat uitgerekend dat gedeelte van de oude vestingwal op de westelijke oever gehandhaafd wordt dat objectief gezien het eerst in aanmerking zou moeten komen om gesloopt te worden. Het is het gedeelte waarbuiten de stedelijke elite gaat wonen, het Villapark dus. De afkeer, figuurlijk en letterlijk, t.o.v. de oude en verpauperde stad kan niet duidelijker tot uitdrukking gebracht worden. De walmuur dient hierbij tegelijk als façade om de schone schijn op te houden danwel als grens tussen het gemene volk en de eigen verheven klasse. Voor de wat soberder levende burgers komt nabij het station een woonwijk tot stand. Dit gebied in het oostelijk stadsdeel Wyck gelegen levert door de gunstige verkeerssituatie snel een hoge grondrente op. Nabij het station ontstaat dan ook in het begin van de 20e eeuw een concentratie van hotels, luxe appartementen en winkels met modieuze artikelen. In deze omgeving wordt ook een zwembad gebouwd, dè mogelijkheid om geciviliseerd de zwemkunst te beoefenen in plaats van het volkse gedoe in de Maas. Op deze wijze ontvlucht de stedelijke elite, de klasse van ‘kleine’ kapitalisten, de oude stad, onderwijl genietend van het rendement dat hun bezit afwerpt, ondermeer door huisjesmelkerij. De Regouts en andere industriëlen waren hun in deze profitabele vlucht al decennia eerder voorgegaan.

Naast de aanleg van nieuwe hoofdwegen en een uitgebreid spoorwegemplacement wordt de Maas ter hoogte van de stad ‘gekanaliseerd’ ten behoeve van de goederenoverslag en voor een verdere afbouw van Wyck. Het Maasmoleneiland wordt afgegraven en het Antoniuseiland wordt voor een gedeelte verbonden met de oostelijke Maasoever. Van een gerichte stadsuitleg is tot 1920 absoluut geen sprake.

De ten opzichte van de infrastructuur meest gunstig gelegen terreinen worden stelselmatig in bezit genomen door nieuwe industriële vestigingen. Rond 1870 start al de Zinkwit, vervolgens komt in 1883 de Mosa, dan in 1889 metaalwaren Beaumont, in 1896 de tegelfabriek van de Sphinx en in 1903 de glasfabriek Stella, de latere Kristalunie. Allen ten noord-oosten van Wyck. De koppeling tussen arbeidershuisvesting en industrie blijft zeer nauw. Nieuwe woningbouw voor arbeiders is tot de Eerste Wereldoorlog practisch non existent. Alwaar het onontkoombaar wordt, het Quartier Amélie en de kleine complexen aan de Meersenerweg en Herbenusstraat of in het Bosscherveld, worden ze zeer profijtelijk compleet tegen of vlakbij de fabriek gebouwd. In het reproductieproces van de arbeidskracht neemt de huisvesting nog steeds geen belangrijke plaats in. Onderwijl komt een specifieke verdeling van de stedelijke ruimte tot stand. De agglomeratievoordelen worden op deze wijze het meest effectief uitgebuit, enerzijds worden de voor het goederentransport benodigde arbeidskrachten en -tijd zo laag mogelijk gehouden, terwijl anderzijds in het productieproces door de arbeiders een zo hoog mogelijke meerwaarde wordt gecreëerd vanwege de laag gehouden reproductievoorwaarden, zoals locatie en kwaliteit van de huisvesting. Omvang en bouwvorm van de nieuwe industriële bedrijven kunnen nu i.t.t. vroegere vestigingen geheel afgestemd worden op het productieproces. De lagere bouwwijze gaat overwegen en neemt logischer wijze verhoudingsgewijs meer grondoppervlakte per arbeider in beslag. De terreinquotient van de Société Céramique in Wyck is bijvoorbeeld vier maal hoger dan die van de Sphinx aan de Boschstraat. Merkwaardig is voorts het verschil in bouwhoogte tussen nieuwe arbeiderswoningen en de burgerlijke woningbouw. De eerste zijn practisch geheel in laagbouw uitgevoerd, terwijl de bebouwing langs de nieuwe singels bestaat uit 3 à 4 lagen, hetgeen vooral op het verschil in grondrente moet zijn terug te voeren. Deze verklaring kan eveneens aangevoerd worden m.b.t. het onderscheid bij de bebouwingsdichtheid tussen woonbuurten voor arbeiders en die van het Villapark. De voorwaarden voor een totale sociaal-ruimtelijke segregatie liggen aldus vast. De kringloop is rond, de door de arbeiders geleverde meerwaarde in het productieproces, voor een gedeelte onttrokken aan een verdere reproductie van het kapitaal, wordt gestoken in luxe artikelen met op de eerste plaats exclusieve woningen, geproduceerd wederom door arbeiders, m.a.w. zij leggen hun eigen afhankelijkheid in steen vast. Zij beschikken immers niet over de productiemiddelen, niet in de industrie en niet in de bouwnijverheid.

Opvallend voor de werkgelegenheid in de Maastrichtse industrie is dat deze bijna uitsluitend stoelt, ondanks de verder voortschrijdende arbeidsdeling, op ‘ongeschoold’ werk. Dat voor m.n. de aardewerkindustrie een hoge kwalificatie vereist is staat buiten kijf, ze moet door hard ‘labeur’ verworven worden. Takken van nijverheid zoals machinebouw komen in Maastricht niet tot ontwikkeling. Welke gevolgen genoemde kwaliteit van werk heeft kunnen we nog dagelijks ervaren. In ieder geval reproduceerd de eenzijdige werkgelegenheidsstructuur zich in Maastricht, tevens in het overige Zuid-Limburg, tot ver na de WO II. Ze geeft een wankele bestaansbasis aan de kapitaalbezitters en binnen de maatschappelijke verhoudingen, mede door het arbeidsintensieve karakter, vooral aan de arbeidende bevolking. De productie dient sterk gericht te zijn op de internationale markt hetgeen omgekeerd leidt tot een sterke afhankelijkheid van benodigde producten voor de locale markt. Dit laatste geldt tevens voor de toevoer van de benodigde grondstoffen. Op lange termijn blijken de gevolgen direct bij het circulatieproces van het kapitaal merkbaar. Immers bij verdergaande centralisatie èn concentratie wordt het kapitaal onttrokken aan die sectoren en aan die plaatsen welke slechts een zwakke basis bezitten voor een gunstige accumulatie. Met andere woorden, de lange weg die de Maastrichtse industriële producten ondanks de goede transportverbindingen moeten afleggen om de daarin geaccumuleerde meerwaarde terug te winnen zijn allerminst een voordeel. Immers, nog afgezien van de lange omslagtijd van het kapitaal, moet een te groot deel van de geproduceerde meerwaarde geïnvesteerd worden in het reproductieproces, niet alleen consumptiegoederen, maar ook in gebouwen, machines, etc. Desondanks zal een groot deel van de Maastrichtse industrie zich tot na de WO II vrij goed weten te handhaven, verklaarbaar door een gunstige concurrentiepositie van vooral de aardewerk-, porcelein- en kristalindustrie. Voorwaarden voor dit concurrentie voordeel zijn: – goedkope arbeidskrachten; – practisch niet te mechaniseren productieproces, waardoor de organische samenstelling van het kapitaal laag blijft; – sterke arbeidsdeling binnen het productieproces, waaronder veel vrouwenwerk; – stelselmatige verhoging van de arbeidsintensiteit, ondermeer door het hanteren van stukloon; – relatief lage transportkosten vanwege de gunstige ligging aan belangrijke transportwegen en het redelijk lage gewicht en het geringe volume van de producten. Andere bedrijven dan de voornoemde, de rubber- en metaalwarenindustrie met name, zullen uiteindelijk het loodje leggen, maar dan zitten we al ver in de 20e eeuw.

Het verdommingsproces dat door de werkgelegenheidsstructuur wordt opgelegd aan de arbeidende bevolking heeft ook verstrekkende consequenties voor het midden- en kleinbedrijf. Kinderen worden al vroeg verplicht vanwege het gezinsinkomen in een fabriek te gaan werken, waardoor er een gebrek aan vaklieden ontstaat. Pas in 1909 wordt besloten tot de oprichting van een ambachtsschool. De in Maastricht overgeblevene vaklieden, boekbinders, meubelmakers en kleermakers bijvoorbeeld, hadden het vanwege de lage lonen niet langer kunnen volhouden en verdwenen stelselmatig naar het buitenland. In de detailhandel gaat een bewust gestimuleerde sanering optreden. Velen is het een doorn in het oog dat nog al wat arbeiders er een winkeltje bijhouden. In 1912 wordt de middenstand toegelaten tot de Kamer van Koophandel, waarbij gesteld wordt: “De tijd van winkelnering met eenige flesche suikergoed, eenige haringen en wat margarine voor het raam is voorbij. Alleen degelijk onderlegde winkeliers, die een ware functie vervullen in de samenleving, hebben reden van bestaan.”.

Het opvallendste aspect aan de bevolkingsontwikkeling van de stad is de veel tragere groei dan in andere vergelijkbare steden of opkomende industriesteden (zie tabel 8 ). Zelfs als het inwoneraantal van de omringende gemeenten bij het totaal telt dan nog is de groei van steden als Aken, Luik, Verviers en Roermond 2 à 3 maal zo sterk als te Maastricht in de periode vanaf 1840. De betrekkelijk geringe groei komt volledig op het conto van een hoog geboortecijfer, dat op haar beurt grotendeels te niet gedaan wordt door een zeer laag of negatief migratiesaldo en een zeer hoog sterftecijfer. De oorzaak van deze cijfers liggen mede of grotendeels in de miserabele leef- en woonomstandigheden van het grootste deel van de bevolking en de vermoedelijk hoge werkeloosheid. Een deel van de verklaring van de trage bevolkingsgroei is wel terug te voeren op het in de omliggende dorpen gehuisvest blijven van de autochtone fabrieksarbeiders. Deze factor blijkt uit de aanwas te Maastricht in vergelijking met de omliggende dorpen (zie tabel 10 ) .

2. RUIMTELIJK en HISTORISCH PROCES in de 20e eeuw

(in het bijzonder tussen beide wereldoorlogen)

2a. maatschappelijke en economische ontwikkelingen

De Eerste Wereldoorlog leidt tot scherpe tegenstellingen op sociaal-economisch gebied in het zich economische veranderende Nederland. De pure vrijhandelsstaat kan als afgedaan worden beschouwd, daarvoor in de plaats komt een jonge industriële staat op een sociaal-liberale grondslag. Deze politieke koers is ingegeven om de ergste uitwassen van het economische stelsel tegen te gaan in zoverre ze een voedingsbodem kunnen leveren tot revolutionaire omwentelingen. Het gedeeltelijk isolement waarin Nederland tijdens de oorlog verkeerde is waarschijnlijk het meest voelbaar geweest in Maastricht. De sterk op het buitenland gerichte industrie en detailhandel in deze stad verliezen in deze periode het grootste deel van hun afzetmarkt. De werkeloosheid stijgt met sprongen. De bevolking neemt een ongekende omvang aan door de toegestroomde Belgische en Duitse vluchtelingen. De woningnood bereikt een absoluut dieptepunt met meer dan 2000 éénkamerwoningen.

Op het einde van WO I zit Zuid-Limburg feitelijk al in de tang van de economische macht van de steenkolenmijnen. Vooreerst blijkt dit uit de productiestijging die tijdens de oorlogsjaren verdubbelde. Ook Maastricht ontkomt niet aan de carboonkolonisatie. Door de structurele werkeloosheid zijn in 1918 al meer dan 2500 Maastrichtse arbeiders uit de glas- en aardewerkindustrie min of meer gedwongen te werk gesteld in de steen- en bruinkoolexploitatie. De crisis waarin een groot deel van de Maastrichtse industrie door de oorlog verkeert komt ze nooit helemaal meer te boven. Het terugwinnen van de buitenkandse markt lukt slechts matig door de moordende concurrentie van vooral de Duitse industrie. Na 1929 lukt het zelfs nog met moeite zich op de binnenlandse markt te handhaven. Daarbij komt de voortdurende desinteresse van het Nederlands kapitaal om te investeren in Zuid-Limburg. Het maakt de positie van de aanwezige, voor een groot deel van vreemd kapitaal afhankelijke, industrie nog wankelbaarder. Onder zulke condities kan geen breed gevarieerd industrieel draagvlak ontstaan voor stad èn streek. Slechts twee nieuwe bedrijfstakken met een zekere importantie komen tot stand in de twintiger en dertiger jaren, de cementindustrie “ENCI”, onder controle van een Belgisch-Zwitsers kartel, en enkele rubberfabrieken. Tegenover deze verbreding van de industrie, de ENCI start in 1930 met haar productie, staat het failliet van allerhand kleinere industrieën.

De positie van Maastrichtse industrie t.o.v. de landelijke valt af te lezen uit de bedrijfs- en beroepstelling uit 1930. In … zijn die takken van de Maastrichtse industrie weergegeven die gelet op de personeelsbezetting een belangrijke plaats innemen binnen de sociaal-economische structuur van Nederland. Duidelijk is vooral de dominante rol van de keramische industrie. In … wordt het industriële beeld van de stad nader gepreciseerd m.b.t. de grote- en middelgrote bedrijven. Frapperend is het hoge aandeel van vrouwenarbeid in het productieproces, ruim 25% van alle arbeiders. Over de gehele beroepsbevolking bezien is dat percentage zelfs bijna 30%. In de industrie zijn bijna 9000 personen werkzaam, waarvan ruim 8000 woonachtig te Maastricht. Bijna 600 Maastrichtenaren zijn mijnwerker. Volgens de tellingen van 1930 oefenen er op een bevolking van ongeveer 62.000 personen bijna 25.000 een beroep uit. Onder hen ruim 7000 vrouwen. Volgens de cijfers van de Kamer van Koophandel zijn er dan zo’n 500 ‘volledig’ werkelozen. Dit getal moet uiterst bedrieglijk zijn, de opgaven van de KvK gekoppeld aan de beschikbare getallen van de Gemeentelijke Arbeidsbeurs geeft het beeld als in (grafiek…) is weergegeven. De grafiek geeft vanzelfsprekend een misleidend beeld van het werkeloosheidscijfer, tot uiting komt wel hoe met getallen gemanipuleerd kan worden. Ander cijfermateriaal lijkt het beeld dat het eerste gedeelte van de grafiek weergeeft te bevestigen.

Overduidelijk is de nijpende toestand waaronder een groot deel van de bevolking moet leven. De latent explosieve situatie die hieruit resulteert en een voortdurende bedreiging vormt voor de gezeten bourgeoisie moet koste wat het kost ingeperkt worden. Een middel hiertoe vormt de toepassing van de Armenwet uit 1919. Landelijk wordt deze wet al weer in 1922 teruggeschroefd, maar in Maastricht krijgt de op de wet gebaseerde Armenraad een steeds breder takenpakket. Onderwijl lopen de Maastrichtse industriëlen landelijk voorop bij het terugdraaien van door de arbeiders bevochte elementaire arbeidsvoorwaarden als de achturige werkdag. Ze trachten zelfs uitzending van werkelozen naar de beruchte kolenmijn van Winterslag in België te bewerkstelligen. Het ‘divide et empera’ wordt in de praktijk gebracht en wordt geëffectueerd door het stichten van een volksmilitie op instignatie van met name Poels, de veel geroemde Roomse pleitbezorger voor ‘verbetering’ van sociale structuren. Een uitbarsting kan echter niet uitblijven. De Zinkwitstaking in 1929 vormt uiteindelijk de catalisator tot “de meest tragische, schokkende episode uit den strijd van de Maastrichtse arbeidersklasse” om met de woorden van de socialistische voorman Ubachs te spreken. Hoe de burgerlijke openbaarheid in dergelijke omstandigheden opereert valt vooral te lezen in die publicaties speciaal bestemd voor de christelijk georiënteerde arbeidende bevolking. De Volkskrant wist het volgende over de situatie in Maastricht te melden: “De toestand is thans zoo, dat de onzen verklaren zonder gevaar voor eigen leven, maar vooral voor het leven van die in den familiekring achterbleven, niet aan den arbeid kunnen gaan. Waarbij nog komt, dat de politionneele overheid in haar taak is te kort geschoten, om ondanks herhaalde waarschuwingen te zorgen voor behoorlijke bescherming der werkwillige arbeiders, die zich niet de wet laten voorschrijven door een stel roode terroristen. Kan – door welke reden dan ook – de stedelijke overheid niet zorgen voor behoorlijke bescherming dan zal hier andere hulp moeten komen en de Rijksregeering zal, hopen wij, op de afwikkeling dezer affaire nauwlettend toezien. Men is in Limburg in vooraanstaande kringen – wij kunnen dat met den meesten nadruk verzekeren – lang niet tevreden over de Maastrichtsche bescherming van het recht tot arbeid.” de Volkskrant – 4 augustus 1929

Ook de kleine neringdoenden hebben het zwaar te verduren. Onder de miserabele omstandigheden zet het uithollingsproces bij de detailhandel versterkt door. Een 400tal faillisementen in een tijdsbestek van 15 jaar vanaf 1922 zegt genoeg. Het grootwinkelbedrijf komt onder de economische malaise slechts moeizaam van de grond. Het duurt van 1907 tot 1933 eer V&D een complex met een behoorlijk verkoopoppervlak in de Grote Staat kan openen. Andere warenhuizen, zoals de Jugendstilachtige “Grand Bazar” blijven slechts een bescheiden omvang houden.

2b. ruimtelijke ordening en volkshuisvesting

De ruimtelijke structuur van de stad wijzigt voornamelijk op twee punten. Er komt een geheel nieuw industriegebied in het Bosscherveld en enkele nieuwe woonwijken, ook voor arbeiders, komen tot stand. Vergemakkelijkt is deze uitleg doordat de jurisdictie van Maastricht door annexatie van enkele randgemeenten in 1920 sterk uitgebreid is. Het gemeentelijk territoir wordt hierdoor meer dan vervijfvoudigd. Buiten de verdere uitbouw van het spoorwegnet, waaronder een nieuw station met emplacement en een goederenstation, vinden afgezien van de bouw van een nieuwe Maasbrug geen ingrijpende infrastructurele ingrepen plaats. Weliswaar komt ook een lateraal kanaal van de Maas, het Julianakanaal, in 1935 gereed. De toegezegde nieuwe overlaadhaven speciaal voor steenkool komt niet in Maastricht, maar in Stein en later nog een in Born, waardoor deze plaatsen de oude rol van Maastricht overnemen.

De herstructurering van de oude stad komt na de verpauperingsfase nu in een volgende fase. Na de uittocht van de stedelijke elite volgen nu de kleinere industriële bedrijven, die overwegend in het Bosscherveld terecht komen. Ook nieuwe bedrijven komen tot stand waarvan sommige niet de WO II overleven. De belangrijkste vestigingen in het nieuwe industriegebied betreffen de verffabriek Ter Horn (1917), Staalwerken De Maas (1925), rubberfabrieken, de spijker- en draadnagelfabriek en het zakkenfabriek Bates Cepro. De ENCI, door de gebondenheid aan de grondstoffenwinning gevestigd nabij de Sint Pietersberg aan de Belgische grens en het Kanaal Maastricht-Luik, en twee kleinere fabrieken, Philips Tabak en de meubelfabriek Wagemans & Van Tuinen (Artifort) komen elders terecht. De laatst genoemde worden zo gesitueerd aan de noord- en zuidzijde van een nieuwe arbeiderswijk, het Blauwe Dorp, dat ze tezamen met twee kerkgebouwen het woongebied omklemmen. Een schoolvoorbeeld van ruimtelijk vertaalde ideologie. Agrarische bedrijven, bierbrouwerijen, smederijen e.d. zijn tegen het begin van de WO II grotendeels uit het stadsbeeld verdwenen. Wel komt vanaf het begin van deze eeuw een bepaalde vorm van kledingindustrie tot stand, waaronder de hoedenfabricage, die geheel in de dichtbevolkte stad geconcentreerd raakt. De verschillen in de stedelijke grondrente gaan hun stempel drukken op het functioneel gebruik van de stad, vooral die zônes van de stad die van oudsher de rol hebben vervuld in de representatie van de stedelijke elite, met name het Vrijthof, “Place des Armes”, en de directe omgeving.

Ook na de WO I blijft de stedelijke overheid een puur liberale politiek voeren. Ze houdt zich verre van enige daadwerkelijke bemoeienis met ruimtelijke, lees stedenbouwkundige, problematiek, afgezien van het bekrompen eigen belang. Het industrieel-kapitalisme dicteert de ruimtelijke verdeling en indeling. De woningwet dateert van 1901 maar in de eerste decennia hierna is nauwelijks sprake van een gerichte aanpak van de huisvestingssituatie voor de arbeiders. Tekenend is dat al vanaf 1884 Maastricht een verordening kende tot het onbewoonbaar verklaren van woningen, overigens slechts bruikbaar om de allerergste uitwassen tegen te gaan. Van een daadwerkelijke toepassing was het nooit gekomen onder druk van de gemeenteraad, de eigen belangen verdedigende bourgeoisie. Ze argumenteerde:

“Het onbewoonbaar verklaren van woningen getuigd van menschelijke hoogmoed, die alles met eigen kracht wil gedaan krijgen, zonder te letten op de onveranderlijke wetten der voorzienigheid”. De stedelijke overheid beperkt zich verder uitsluitend tot het aangeven van een hoofdstructuur voor verkeerstechnische ingrepen. De voornaamste hangen samen met de aanleg van een nieuw stationscomplex in Wyck.

tekening (7) links boven: infrastructuur foto rechts boven: Stationsplein in de dertiger jaren foto midden: woningcomplex Witte Vrouwenveld uit de twintiger jaren tekeningen onder vlnr: Stokstraatgebied in de dertiger jaren; Villapark (ged.); woningcomplex Rood Dorp

Uit een ideologische keuze voor de bourgeoisie en tegen het proletariaat wordt de stedelijke overheid ‘verlost’ door de eerste grote annexatie van 1920. Deze was primair ingegeven door veranderingen in het kiesrecht. Dat het verschuiven van de gemeentegrens louter op politiek vlak had gelegen gaf Ruys de Beerenbrouck in 1930 onomwonden toe: “Als de buitengemeenten niet bij Maastricht getrokken waren, (zou) straks mogelijk de meerderheid op het Raadhuis socialistisch zijn.”. Annexatie betekent hier dus niet alleen vergroting van het gemeentelijk territoir maar ook verandering in de samenstelling van het kiezersvolk. In 1920, het begin van een internationale crisis, krijgt Maastricht een dusdanige omvang dat beperkingen vanuit een tekort aan bouwgrond geen opgeld meer doen. Nu ook kan een ander belangrijk aspect van de huisvesting ten genoegen van de bourgeoisie geregeld worden, het medisch-hygiënische. De duidelijke scheiding tussen arbeiderswoonbuurten en burgerlijke woonbuurten kan verder doorgevoerd ondermeer door de aanleg van parkgordels en de situering van enkele industriële bedrijven. Zo wordt het reeds genoemde Blauw Dorp van het Villapark gescheiden door de aanleg van een park dankbaar gebruik makend van de Jekerbedding. En het park vormt op haar beurt een aaneengesloten geheel met het nieuwe kazernecomplex. Ook binnen de arbeidsklasse gaat het volkshuisvestingsbeleid scheidend werken. Het huurbeleid wordt namelijk steeds meer gestuurd in de richting van de marktprijshuur met als gevolg dat slechts de ‘arbeiderselite’ in aanmerking kan komen voor een woning, tenminste als, in het merendeel van de gevallen, de Roomse geestelijkheid haar zegen geeft.

De stijging van bouwkosten en grondprijzen, de verhoging van belasting en renten en onttrekking van overheidssteun leidt tot rijkelijk hoge huren die niet meer aangepast zijn aan de draagkracht van de bevolking. Zo komt weer snel een einde aan de eerste periode van bouw ten behoeve van de volkshuisvesting. Tussen 1919 en 1923 worden 1704 woningen gebouwd, vervolgens meer dan twee jaar geen enkele. De verdeling van de woonruimte in ‘kwartieren’ verschuift van één- naar twee- en driekamerwoningen. In 1926 zijn er nog 22 z.g. ‘bouwen’ in Maastricht elk bevolkt door meer dan 10 gezinnen. Twintigduizend inwoners van de stad, eenderde van de totale bevolking, moeten het nog doen met een gemeenschappelijk privaat. Panden verdeelt in ‘kwartieren’ brengen 2 à 3 maal zoveel huur op bij hetzelfde grondgebruik als een middenstandswoning, ƒ1200.00 à ƒ1500.00 ten opzichte van rond ƒ600.00 per jaar. Ondanks de bouw van 700 woningen in de periode van 1925 tot 1930, waarvan slechts 170 arbeiderswoningen, bezit Maastricht in 1930 het troosteloze landelijke record van één- en tweekamerwoningen. In Amsterdam bedraagt het percentage 19% t.o.v. 32% en dan te bedenken dat de toestand in Amsterdam tot aan de WO I nog veel schrijnender was dan de Maastrichtse. Een partij vaart bij deze toestand wel, de huisjesmelkers. De uitbuiting middels de woningverhuur gaat on verminderd door.

Het tegengewicht wordt in hoofdzaak gegeven door woningbouwverenigingen, coöperaties in de zin van de Woningwet uit 1901. Maastrichts grootste en Nederlands oudste is Sint Servatius. De kenmerkende voorgeschiedenis van deze vereniging hangt nauw samen met de ontwikkeling van de boerenleenbanken op coöperatieve grondslag en met het hypotheekwezen, allebei van origine gericht op de agrarische sector. Deze vormen van kapitaalvorming en -verschaffing krijgen al in de tachtiger jaren van de 19e eeuw in het omringende buitenland een wettelijke basis. Vooral het systeem Raiffeisen verwerft een wijde verspreiding; in de huisvestingssector wordt de spaarregeling in hoofdzaak toegepast voor de arbeiderswoningbouw. Hypotheekbanken krijgen vooral een rol toebedeeld bij de kapitaalverschaffing voor de particuliere sector, waartoe evenals bij de arbeiderswoningbouw bouwverenigingen worden gesticht. Model voor deze coöperaties staan in Maastricht “Ons Belang” en “Eigen Huis”. Beiden in 1903 opgericht op initiatief van de directeur van de verzekeringsbank “De Maas” en in de periode tot omstreeks 1930 goed voor ongeveer 170 woningen, waaronder villa’s, herenhuizen en winkelpanden. Ook Sint Servatius beweegt zich tussen 1916 en 1932 op dit vlak met de bouw van 117 middenstandswoningen op basis van hypothecaire leningen.

Van oorsprong is Sint Servatius een spaarbouwvereniging, evenals haar socialistische tegenhanger “Beter Wonen”, en als deze speciaal bestemd voor arbeiders. Voorwaarden voor een lidmaatschap behelst de leeftijd (18 jaar), lid van de RK Volksbond zijn en woonachtig te Maastricht. Kern van de condities is het nemen van een onopvorderbaar aandeel van ƒ100.00 eventueel vol te storten met een minimum bijdrage van 20 cent per week. Ten aanzien van de bewoning gelden stringente regels m.b.t. bedrijfsuitoefening en het houden van kostgangers, onderverhuur wordt in geen enkel geval toegestaan. Tot 1923 worden door deze vereniging 558 woningen gebouwd, in hoofdzaak arbeiderswoningen, op basis van rijksvoorschotten volgens de Woningwet. De kwaliteit van de gewone arbeiderswoningen is vrij matig en voldoet ook voor de toenmalige periode qua conform slechts aan minimale eisen. Het kan zelfs kwalitatief nog minder en daartoe behoort het type ‘overgangswoning’. Desondanks zijn de huren relatief hoog, mede door het huurprijsbeleid van de rijksoverheid, en dit werkt bij alle woonellende in de stad zelfs leegstand in de hand. Ook wordt in woningen, zoals in Oostermaas van de coöperatie voor het spoorwegpersoneel “Eigen Haard”, toevlucht genomen tot eenvoudige winkelnering ter compensatie van het lage inkomen. De huurprijs schommelt in 1923 tussen de 5 en 7 gulden per week alhoewel een gedeeltelijke huurverlaging op het einde van dat jaar wordt toegepast. De gemeentelijke overheid, daartoe gemachtigd, doet in het geheel niets aan het voor de meeste arbeiders te hoge huurniveau. Na het aantrekken van de conjunctuur in de tweede helft van de twintiger jaren stijgen ook de huren weer dienovereenkomstig. Dit leidt tijdens de crisis vanaf 1929 tot enorme spanningen. Minder bouw van arbeiderswoningen i.t.t. middenstandswoningen en voortdurende stijging van het huurniveau. De bouwkosten gaan omlaag mede door de daling van de lonen en het inschakelen van werkelozen voor zwaar ongeschoold werk zoals het grondwerk ten behoeve van een woningcomplex aan de Boschpoort. Al met al gunstige voorwaarden voor verdere kapitaalaccumulatie. De gemeentelijke overheid helpt hierbij nog een handje door een ruime interpretatie van de bouwverordening te tolereren. De woningdichtheid kan worden opgeschroefd, de gemeente kan een gunstige vraagprijs voor de grond bedingen en de belegger kan een hoger rendement van zijn investering tegemoet zien. Deze benaderingswijze leidt tot bepaalde woningplattegronden. De voorgeschreven minimale breedte voor de woonkamer wordt in omgekeerde zin gehanteerd en toegestaan, waardoor een smaller type woning wordt verkregen en dus meer woningen op het gegeven grondstuk. ”

Deze huizen mogen dan op het oogenblik nog hygiënisch en gezond zijn, over eenige tientallen van jaren zullen ook zij bouwvallig worden en uitgewoond raken, met andere woorden zullen weer zeer veel krotwoningen ontstaan. Indien U denkt dat hier overdreven wordt, dan behoeven we U slechts attent te maken op de gemeente Maastricht.”Aldus het Katholiek Bouwblad in 1938.

In een tijdvak van 40 jaar gerekend tot aan de WO II worden er in Maastricht 2691 arbeiderswoningen gebouwd. Gezien de behoefte zijn er dat zeker 5000 te weinig. In hoofdzaak worden deze woningen gelocaliseerd in buurten van het op de oostelijke Maasoever geannexeerde gebied; een uitzondering vormt slechts het Blauwe Dorp (Proosdijveld) op de westelijke oever gelegen. Deze buurt is als enige ‘volksbuurt’ min of meer gekoppeld aan de binnenstad. De overige nieuwe buurten, Witte Vrouwenveld (Oostermaas), Wyckerpoort en Rood Dorp kennen een vrij duidelijke geïsoleerde ligging. Het omgekeerde is in meer of mindere mate het geval voor woonbuurten alwaar hogere inkomenscategorieën gehuisvest zijn. Deze hebben een veel rechtstreekser ruimtelijke relatie met de oorspronkelijke stad. Woonvormen als het herenhuis en ook wel de middenstandswoning worden tevens aangewend ter oprichting van een façade, waarachter woonbuurten met geringe architectonische kwaliteit, lees: bewoond door het eenvoudige volk, schuil gaan. Voorbeelden in deze zijn de Scharnerweg, de Franciscus Romanusweg en de Hertogsingel, wegen die voorts overwegend fungeren als toegangsweg naar de binnenstad.

Huisvesting voor de minst bedeelden, bejaarden, gehandicapten, geschied in armenhuizen van de gemeente of van charitatieve instellingen en op Calvariënberg in eigendom van het Burgerlijk Armsbestuur. Exploitatie van dat instituut voor armen en zieken gebeurd niet op humanitaire gronden doch louter op financieel-economische. Die opstelling blijkt vooral ten tijde van het ‘ziekenhuisvraagstuk’ dat in de twintiger en dertiger jaren in Maastricht woedt. Bij de vraag naar ofwel nieuwbouw, danwel uitbreiding van het bestaande ziekenhuis, dat een onderdeel vormt van Calvariënberg, is het enige uitgangspunt de maximaal haalbare rentabiliteit. Op deze basis had in 1921 al architect Joseph Cuypers een globale begroting gemaakt. De met ‘gebrekkigen, minderwaardigen, meer normale, gehuwden” omschreven bejaarden“(300) zijn dus in het oude gebouwen complex onder te brengen”. Nieuwbouw van de ‘klasseafdelingen’ dient rekening te houden met een goede concurrentiepositie t.o.v. het Heerlense ziekenhuis: fraaie inrichting, fijn uitzicht op de tuinen, een representatieve entrée…

Sociale segregatie allerwegen op grond van inkomen, beroep en leeftijd. Groepen met het laagste inkomen blijven in de binnenstad in uitgeleefde krotten zitten. Om deze vanuit bourgeoise opvattingen, letterlijk en figuurlijk gezien, minderwaardige bestemming van de grond af te komen wordt in de laatste jaren voor de WO II het z.g. cityvormingsproces ingeluid. Eerste ‘actiehaarden’ zijn de omgeving van de Markt en het Vrijthof, zoals de bouw van de Wilhelminabrug en reconstructies van ondermeer de Tweebergerpoort, Hondstraat, Pieterstraat en Sint Jacobstraat. Het is de opmaat tot een grootscheeps opgezet plan ter sanering, ruimtelijk en sociaal, van het Stokstraatkwartier. In ambtelijke taal worden de motieven, let op de volgorde, zo geduid:

“De city-vorming, die de tegenwoordige stadskern van Maastricht als het ware automatisch saneerde, liet genoemd gebied zo goed als onaangeroerd, met het gevolg, dat het zowel verkeerstechnisch en economisch, alsook vanuit het oogpunt der volkshuisvesting, ten zeerste verouderd is en aan de meest elementaire eisen van deze tijd niet vermag te beantwoorden.” We zien hier dus de overheid actief in de bres springen voor de bourgeoisie om nieuwe voorwaarden te scheppen tot verdere kapitaalaccumulatie enerzijds en tot bescherming van de ontwikkelde economische belangen in de (binnen-)stad anderzijds. De ideologische sluier waaronder het saneringsproces na WO II wordt doorgevoerd gebeurt onder het mom van monumentenzorg, een bijltje waarmee men sinds een halve eeuw heeft mee leren hakken. Oorzaak en gevolg van de ellendige toestand worden steeds weer bij de betroffenen zelf gelegd. Eerst heette het: “Sneller dan de tijd dit gedaan zou hebben, sloopten weinig ordelijke en evenmin hygiënisch levende huishoudens tal van percelen. Aldus verviel de oude patriciërsbuurt tot een wijk van kroegen, logementen, krotten en huurkazernen, waarvan spoedig welhaast elk vertrek aan een gezin onderdak bood. Vele ruime kamers en zolders werden bovendien door schotwerken onderverdeeld in kleinere vertrekken en de door achter- en tussenbouw verkleinde binnenplaatsen tenslotte nog bebouwd met vaak zeer primitieve toiletten” Even een sprong in de tijd, vooruitlopend op zeventiger jaren van de afgelopen eeuw. “Van grote betekenis is vanzelfsprekend het welzijn van de mensen die nu in Blauw Dorp wonen en doorgaans een belangrijk gedeelte van hun leven hier hebben gesleten. (…) Vele van de huidige bewoners zullen dan ook gehecht zijn aan deze woonbuurt. (…) Van minstens even grote, zo niet van grotere betekenis is evenwel de erkenning, dat de woonkwaliteit van Blauw Dorp niet in zichzelf beoordeeld kan worden, maar een bijdrage dient te leveren tot het welzijn van heel Maastricht. Het gevolg hiervan is, dat het woonmilieu van deze buurt moet zijn afgestemd op de woonwensen van minstens de huidige generaties en zo mogelijk nog op de woonwensen van komende generaties. Aan Blauw Dorp zal met andere woorden een toekomstwaarde moeten worden gegeven.”  De formuleringen en de terminilogie, renovatie en rehabilitatie, worden steeds spitsvondiger, de daar achterliggende opvattingen kunnen nog steeds onder de noemer gevat worden van een politiek gezien corporatieve ideologie.

De in 1931 bij wijziging van de Woningwet voorgeschreven verplichting tot vaststelling van een Uitbreidingsplan komt Maastricht ternauwernood na. In 1941 pas wordt het plan voor de gemeente door architect Jos Klijnen ontworpen. Dit betekent feitelijk het formele begin van een weliswaar eenzijdig gerichte maar wel consequente aanpak van de ruimtelijke problematiek op stedelijk niveau. Een voorloper op dit plan was het uitbreidingsplan voor de bebouwde kom uit 1919 van de hand van Jos Cuypers. Echter pas in de dertiger jaren ontstaat werkelijk iets wat als een planmatige ruimtelijke aanpak omschreven kan worden en deze visie wordt vastgelegd in een algemeen Stratenplan in 1938, de directe voorfase van het officiële Uitbreidingsplan in Hoofdzaken uit 1941. Bij deze plannen wordt uitgegaan van een totaal afgeronde conceptie voor de gehele stad. De overwegende uitgangspunten kunnen gemakkelijk samengevat worden. Een duidelijk benadrukken van centrumfuncties (cityvorming), situering en ontsluiting van industrieterreinen met daaraan gerelateerd enkele verkeerstechnische ingrepen, waaronder de projectie van een Noorderbrug en Cabergkanaal, beiden aansluitend aan het industrieterrein Bosscherveld, wel de belangrijkste zijn. Om de nieuw gedachte hoofdtracées als wel om de bruggenhoofden van de gewenste brug worden woonbuurten gesitueerd als vanouds afgestemd op de te onderscheiden bevolkingsklassen. Nabij de opritten van de Noorderbrug bijvoorbeeld arbeidersbuurten in de nabijheid van de fabriek.

2c. verkeer en transport

De verkeersrelaties met Maastricht zijn tot na de WO II voornamelijk op het goederentransport gebaseerd. Aan- en afvoer van grondstoffen, hoofdzakelijk cement en steenkool, het transport van geproduceerde goederen. Het regionale personenvervoer voor de onder meer in de industriële productie werkzame arbeiders geschiedt overwegend via trein en autobus. In de nabijheid van de stad vinden de meeste verplaatsingen per fiets of te voet plaats. Verkeersvoorzieningen voor werkforensen zijn dan ook nauwelijks noodzakelijk. Een hangbrug naast de spoorwegbrug is voldoende om de arbeiders snel en efficiënt in de fabrieken te loodsen. Anders ligt dit natuurlijk bij het goederentransport; dat is echter praktisch in zijn geheel, veelal bulkgoederen, afgestemd op vervoer per schip of per trein. Aan transport over de (land-)weg bestaat nauwelijks behoefte. Ingrepen in de wegenstructuur gebeuren meestentijds vanuit een andere achtergrond dan vanuit verplaatsingsmotieven en zijn sterk plaatsgebonden.

Water- en railverbindingen zijn van primair belang voor de stedelijke industrie. Dit blijkt wel uit de inspanningen die de Maastrichtse Kamer van Koophandel zich jaar in, jaar uit getroost om te komen tot een nieuwe haven. Wat wil het geval? De Belgische overheid wenste onder de druk van de Antwerpse havenbaronnen, in zekere zin ook van de Waalse kapitalisten, niet over te gaan tot kanalisatie van het Maasgedeelte dat grensrivier is. Als compensatie voor het Luikse industriebekken wordt het Albertkanaal gegraven, een 2000 ton metende scheepvaartweg. Om toch over een betrouwbare waterweg met voldoende capaciteit te beschikken om de Zuid-Limburgse steenkool naar het noorden te transporteren wordt in 1920 het besluit tot aanleg van een lateraal kanaal aan de Maas genomen. Onmiddellijk claimt de Maastrichtse bourgeoisie een nieuwe (overlaad-)haven. De redenen die hierin meespelen zijn velerlei: monopolisering van het overladen van de steenkool van spoor naar schip, een koppeling tot stand brengen tussen het te kanaliseren gedeelte van de Maas in zuidwaartse richting en het Albertkanaal, hetzelfde nabij Borgharen door het creëren van een knooppunt van waterwegen. Hierdoor werd een rechtstreekse verbinding met de Antwerpse haven mogelijk. Een verdere overweging hierbij was de aanleg van een verkeersweg langs de linkeroever van de Maas dwars door de stad om een directe verbinding te verkrijgen met de kalkwinning, en later de cementfabricage, nabij de Sint Pietersberg, de bestaande en uit te breiden loskades langs de Maas en de nieuwe haven aan het gewenste waterwegenknooppunt. De haven zal er in deze vorm niet komen. Pas na de WO II wordt een dergelijke voorziening getroffen bij het industrieterrein Beatrixhaven. Het enige directe gevolg van de druk uit de stedelijke bourgeoisie is het besluit dat de gemeenteraad neemt om over te gaan tot sloop van de middeleeuwse Sint Servaasbrug en deze te vervangen door een aan de eisen des tijds aangepaste brug. Het doorvaartprofiel kon dan tevens afgestemd worden op de verlangens van de scheepvaart. Tot sloop komt het echter niet. Het besluit van de gemeenteraad wordt door de Kroon nietig verklaard.

Na aanleg van het Julianakanaal is Maastricht als overslaghaven voor steenkool overbodig geworden. Born en Stein zijn de nieuwe, aan de gegroeide exploitatie aangepaste, havens geworden van het Limburgse steenkoolbekken. De ingrepen op waterbouwkundig gebied uit bovenregionaal belang van zowel Belgische als Nederlandse zijde veranderen de situatie om Maastricht grondig. Van een behoorlijke koppeling tussen de waterwegen aan beide zijde van de grens is geen sprake. Niet voor niets heet het sluisje dat het Kanaal Maastricht-Luik verbindt met het Albertkanaal de Stop van Ternaayen. Het kan ternauwernood schepen van 450 ton verwerken terwijl de diepgang van zowel het Albertkanaal als het Julianakanaal meer dan het viervoudige toelaat. Het schema bij tekening 7 geeft deze absurde constellatie weer. Pas in de zestiger jaren zal hierin enige verbetering gebracht worden door de bouw van een nieuw sluizencomplex nabij Ternaayen tussen Maas en Albertkanaal, waarmee de beruchte Stop overbodig wordt. Wederom echter zijn deze sluizen niet berekend op de geplande capaciteitsvergroting van het Juliana- als het Albertkanaal in de tachtiger jaren.

Het spoorwegnet om Maastricht nadert zijn voorlopige afronding met de bouw van een nieuw accordement in Wyck al in 1914. In 1915 wordt het nieuwe stationsgebouw van architect Heukelom geopend, in een ontwerp sterk beïnvloed door Berlage. Bij de spoorwegen spelen dezelfde troubles met België als bij de waterwegen. Sedert de aanleg van deze naar Luik en Hasselt zijn niet meer verder aangepast. Het blijft enkelspoor en worden niet geëlectrificeerd. Na WO II wordt zelfs het personenvervoer naar Hasselt gestaakt. De meest voor de hand liggende verbinding tussen het Ruhrgebiet en Antwerpen wordt hiermee verbroken. De rechtstreekse verbinding tussen het oosten van ons land en Wallonië blijft een moeizame. In de 20er en 30er jaren bereiken de tramwegen in de Maastrichtse regio hun grootste omvang met een uitgebreid en frequent net richting België en enkele lijnen in het Zuid-Limburgse, o.a. naar Aken. Onmiddellijk na de WO II wordt dit samenhangende geheel afgebroken ten faveure van het wegtransport, vrachtauto, autobus en later de personenauto.

Tot de belangrijkste ingrepen in de stad behoren naast het vermelde spoorwegemplacement aan de oostzijde van de stad de bouw van de Wilhelminabrug en het spoorwegviaduct nabij de Meerssenerweg aan de noord-oostzijde. Beide zijn berekend op druk wegverkeer. Moet men hier van een vooruitziende blik spreken? Het autoverkeer is nog onbeduidend van omvang. Volgens verkeerswaarnemingen in 1935 passeren in dat jaar nog geen 3000 auto’s per etmaal beide Maasovergangen tezamen. Daarentegen 20.000 voetgangers en fietsers elk. Zelfs het vervoer per stadsbus neemt dan nog een ondergeschikte plaats in. Het straatbeeld in de stad is in ieder geval nog zeer levendig. er wordt nog op straat “verkeerd’. Naast de talloze wandelende, lopende, staande en fietsende mensen zijn er nog de bespannen voertuigen, hondekarren, vee dat naar de markt wordt gebracht, mensen met een handkar, enz. Op de Sint Servaasbrug kan het “voetgangersverkeer” niet vlot afgewikkeld worden vanwege te smalle trottoirs. Het straatgebruik wordt nog niet gedomineerd door motorvoertuigen en is tevens sterk gebonden aan de leef- en woonsituatie van de bewoners. In 1938 wordt een eerste verkeersregeling ingevoerd die “de vrijheid tamelijk sterk aan banden legde”. Zoals al eerder opgemerkt vinden de meeste ingrepen onder de noemer verkeer plaats op grond van oneigenlijke motieven. De meest vergaande ingreep in het stedelijk patroon betreft de bouw van de Wilhelminabrug. De Sint Servaasbrug, smal en aansluitend op het dichte stratenpatroon van de binnenstad, is een echte bottleneck. Een nieuwe Maasbrug is meer dan noodzakelijk, daar is geen twijfel over mogelijk. Toch wordt bij de situering van een nieuwe brug niet uitgegaan van de verplaatsingsbehoeften. Ze worden zelfs genegeerd, immers het grootste deel van de bevolking, de fabrieksarbeiders, die te voet of met de fiets naar hun werk gaan en ook zo hun sociale contacten onderhouden, waren meer gebaat bij een noorderlijker gesitueerde brug. Er wordt echter uitgegaan van een Haussman-concept. Doorbraken door arbeidersbuurten en opwaardering van de grond. Door de aanleg van deze brug wordt de vervallen arbeidersbuurt ten oosten van de Boschstraat volledig geïsoleerd van de rest van de binnenstad. De aan de Markt wonende arbeiders worden weggesaneerd.

Uit het oogpunt van een verkeerstechnische benadering waarbij rekening wordt gehouden met gemotoriseerd verkeer een absurde situering. Voor de hand liggende tracées in het verlengde van de Maastrichter Grachtstraat of de Fransensingel zijn niet overwogen. Ze zouden het proces van city-vorming doorkruist of het zelfs nadelig beïnvloed hebben. Tekenend is ook het beroepsethos van een betrokken architect, wellicht significant voor zijn beroepsgroep. Architect Alphons Boosten was het als gemeenteraadslid, die nadrukkelijk de economische interessen van de bourgeoisie liet prevaleren bij zijn argumentatie voor de bouw van deze brug op de plek nabij de Markt. Zijn gedachtengang was dat het juist in de bestaande crisisperiode noodzakelijk was een dergelijke infrastructurele voorziening zo aan te leggen dat ze tevens extra bouwproductie aantrok of noodzakelijk maakte. Zelf dacht hij aan de bouw van een warenhuis (V&D), inspelend op de trekpleister die het marktgebeuren enkele malen per week was. Voortbordurend op dit proces zal na WO II de stadsarchitect Dingemans voorstellen doen tot verlenging van het brugtracée in westelijke richting dwars door de westwand van de Markt. Hiermee zou de begonnen conceptie perfect afgerond worden door het openleggen van onrendabele terreinen tussen Markt en Koningin Emmaplein in het Statenkwartier. Een buurt bestaande uit kleine ambachtsbedrijven, oude arbeiderswoningen en grote klooster- en schoolcomplexen.

2d. bevolking

Ook in de jaren tussen beide wereldoorlogen kent Maastricht slechts een trage bevolkingsgroei, zeker in vergelijking met andere industriesteden. Verdubbelt het bevolkingsaantal in de Oostelijke Mijnstreek in deze periode van 80 naar ongeveer 155 duizend inwoners, te Maastricht bedraagt het saldo 15 duizend, afgezien van de sprong in de toename vanwege de annexatie in 1920. Wel is het sterftecijfer gedaald t.o.v. 19e eeuw op het toch nog relatief hoge landelijke peil. Het migratiesaldo blijft echter laag of is zelfs negatief terwijl het geboortecijfer daalt. Het is een bevolkingsontwikkeling die nauw samenhangt met de leef- en werkomstandigheden bij de arbeidende bevolking.

“Het lijkt er in de laatste jaren op, alsof men op het stadhuis eenvoudig niet wil meewerken. Het is mogelijk, dat bij B&W de beste bedoelingen vóórzitten, maar uit de feiten valt dit bezwaarlijk af te leiden.” Beschouwen we nogmaals nu volgens onderstaande grafiek, dan valt op dat van deze beroepsbevolking de helft direct of indirect afhankelijk is van de industrie. Bezien we nu het aan het beroep gerelateerde inkomen dan blijkt dat Maastricht in het belastingjaar 1938-39 pas op de 38e plaats komt van de 45 grootste gemeenten als het gaat over het percentage aangeslagenen voor de inkomstenbelasting. Het bedraagt 14,8%, alleen plaatsen als Helmond en Emmen blijven hierop achter. Provinciaal gezien ligt de situatie voor Maastricht gunstiger hetgeen duidt op een in het algemeen laag inkomen van de Limburgse bevolking. De lonen van arbeiders zijn dienovereenkomstig laag. Om een juister beeld van de reële draagkracht van de bevolking te krijgen zouden er nadere gegevens over de kosten van levensonderhoud bekend moeten zijn.

Beschouwen we nu nog de leeftijdsopbouw van de in het productieproces actieve mensen en tevens de groep jeudigen en minderjarigen. (verwijzing naar tabellen afkomstig van gemeentelijke registraties in 1939, niet meegerekend zijn de studerenden) Opvallend is het hoge percentage werkelozen vanaf ongeveer 19 jaar, zo’n 30%, de niet ingeschrevenen zijn uiteraard hierin niet verdisconteerd, hetgeen het beeld over de werkeloosheid beneden de 20 jaar nogal flatteert. Het totaal aantal werkeloze mannen bedraagt 3800, dat is 10% van het mannelijk arbeidspotentieel. Deze cijfers gevoegd bij de lage lonen geven het trieste beeld van het nog immer ‘zwarte zuiden’, zoals Maastricht in de Nederlandse volksmond genoemd wordt. De uitkomsten van de volkstelling in 1930 laten voorts zien, zoals boven al aangetipt, dat de leeftijdsopbouw in Maastricht afwijkt van het landelijke gemiddelde; zowel de jeudige als de oudere leeftijdsklassen zijn ondervertegenwoordigd. Ook wordt in deze telling het beeld bevestigd van een sterke bevolkingsconcentratie in en om de oude binnenstad.

foto beneden: het Mariacongres 1912 (in het midden minister Regout, telg uit een fameus geslacht, Mgr. Tacci, de internuntius, burgemeester Van Oppen, e.a.)

Een vorige paragraaf hebben we afgesloten met enige kanttekeningen over de invloed van de RK kerk. Deze sluiten we af met een gedeelte uit een illustratieve lezing van een Maastrichts industrieel met als titel “De sociaal-godsdienstige opbouw van mijn bedrijf”.

“Omtrent de cultureel-godsdienstige maatregelen welke ik trof het volgende: Mijn arbeiders hebben bij de ingang van het fabrieksterrein in een ruim plantsoen een groots monument van het H. Hart van drie meter hoogte laten neerzetten, waarop geschreven staat: ‘Pax huic Domui’. Het beeld werd op plechtige wijze in 1935 door Mgr. Poels in tegenwoordigheid van de Commissaris der Koningin, de Burgemeester, kerkelijke en wereldlijke autoriteiten geïntroniseerd. Voor dit H. Hartbeeld hebben de arbeiders een jaar lang een dubbeltje per week gespaard. Het H. Hartbeeld staat op een monumentaal bouwwerk, dat door onze N.V. is aangelegd. Wanneer het personeel ‘s morgens of ‘s avonds de fabriek betreedt of verlaat, ziet men ze zonder onderscheid hun groet brengen, een kruisteken maken of enkele seconden blijven staan. In het ‘Pax huic Domui’ ligt gekristalliseerd onze broederlijke liefde van hoog tot laag en komt tot uitdrukking dat wij allen, aan de fabriek verbonden, dienaren zijn van Koning Christus. Met het beeld zelve is men echter niet klaar en daarom werden door de Fabrieksraad voor de godsdienstig zedelijke opbouw der arbeiders voorzieningen getroffen, welke geheel los staan van de sociale opbouw.”

bijlage met statistisch- en kaartmateriaal

kaartmateriaal

statistisch materiaal

%d bloggers like this: