Libertarians en de tabaksindustrie

Tabaksindustrie betaalde miljoen dollar aan professoren

Jules K



De tabaksindustrie betaalde meer dan een miljoen dollar aan 120 Amerikaanse professoren in de economie om twijfel te zaaien over het nut om taksen te heffen op tabaksproducten om de maatschappelijke kosten die worden veroorzaakt door roken te compenseren.

Twijfel zaaien is een beproefde methode om milieu- of gezondheidsmaatregelen tegen te houden. Zo betaalde de tabaksindustrie jarenlang verschillende academici om te verkondigen dat (nog) niet bewezen is dat roken schadelijk is voor gezondheid. Deze wetenschappers werden vervolgens zoveel mogelijk in de media opgevoerd, in de hoop dat politici en publiek zouden twijfelen aan de bestaande wetenschappelijke kennis over de gevaren van roken. Zolang er ‘controverse’ is over een wetenschappelijk onderwerp (al dan niet door gefabriceerde twijfel) kan een industrie de stelling blijven verdedigen dat er geen wetenschappelijke basis bestaat om politieke maatregelen te nemen tegen hun product.

DeWereldMorgen heeft deze ‘tabaksstrategie’ eind vorig jaar nog uitvoerig belicht in het artikel Klimaatontkenners zijn ‘handelaars in twijfel’. Het artikel vatte het als volgt samen:

“De meeste mensen denken dat als je twee visies op een probleem hoort, dat die dan allebei wel een zekere verdienste hebben.” Dat is niet zo. Eén van beide kan compleet fout zijn of totaal niet representatief.”.

Het betreffende artikel besteedde aandacht aan de net verschenen documentaire Merchants of Doubt gebaseerd op het gelijknamige boek van Naomi Oreskes en Erik M. Conway. De auteurs beschrijven hierin o.a. hoe de tabaksstrategie ‘geëxporteerd’ werd naar andere wetenschappelijke domeinen, waaronder klimaatverandering.

Truth squads

Dat de tabaksindustrie trachtte de directe gezondheidseffecten van roken te minimaliseren ligt voor de hand. Dezelfde tactiek werd toegepast in de jaren ’80, toen steeds duidelijker werd dat ook passief roken schadelijk is. De tabaksindustrie betaalde een aantal professoren (door de industrie “truth squads” genoemd) om tijdens persconferenties, congressen en hoorzittingen van politici te verkondigen dat de wetenschappelijke wereld nog geen sluitend bewijs had gevonden voor de risico’s van passief roken.

Een van de hoofdfiguren in het boek van Oreskes en Conway is de Amerikaanse professor S. Fred Singer. Hij is zowat de verpersoonlijking vormt van het exporteren van de tabaksstrategie naar de ecologie. De man ontkent een hele resem milieuproblemen: van de menselijke invloed op klimaatverandering, over de gevaren van asbest, tot het bestaan van het gat in de ozonlaag. In 1994 publiceerde hij daarenboven een rapport voor de Amerikaanse denktank Alexis de Toqueville Institution. In dat rapport werden de gevaren van passief roken worden ontkend.

Ronkende titels

In 1998 werd de tabaksindustrie door een serie rechtszaken verplicht alle interne documenten vrij te geven. Die documenten werden vervolgens online gepubliceerd in de Legacy Tobacco Documents Library. Er staat in te lezen  dat de overkoepelende tabakslobbygroep Tobacco Institute $20.000 dollar betaalde voor het rapport dat door Fred Singer werd geschreven.

Tevens blijkt dat de uitkomst van deze litteratuurstudie op voorhand vaststond, nog voor gekend was wie het vehikel zou schrijven. Er werd nog gezocht naar een auteur die de nodige academische geloofwaardigheid zou uitstralen: “Possible authors include – Fred Singer, Kent Jeffreys (formerly director of the Competitive Enterprise Institute’s Environmental Studies Program), or another reputable economist (perhaps Bob Tollison)”.

Jeffreys en Singer zouden uiteindelijk hoofdauteurs worden van het rapport, hoewel geen van beiden een medische achtergrond hebben. Wat ze wel hadden waren ronkende academische titels. En dat moest hen de nodige geloofwaardigheid verlenen.

Robert (Bob) Tollison, die ook meeschreef aan het rapport, is de man die ons op het spoor zet van een andere strategie die door de tabaksindustrie werd gebruikt. Tollison was immers ook de leider was van een geheim netwerk van economen die werkten voor het Tobacco Institute.

Zaai twijfel

De problematiek van het passief roken zette extra druk op de tabaksindustrie : roken brengt niet enkel schade toe aan de roker zelf, maar ook aan de omgeving van de roker. De industrie besefte dat bewezen schadelijkheid van passief roken onvermijdelijk zou leiden tot een verbod in publieke gebouwen … Waardoor de verkoop van tabak zou dalen.

Overheden begonnen daarenboven vanaf de jaren ’70 steeds hogere accijnzen te heffen op tabak. Deze accijnzen hadden niet enkel tot doel roken onaantrekkelijker te maken, het was ook de bedoeling om de maatschappelijke van het roken terug te verdienen. Rokers zijn nu eenmaal vaker ziek en dat weeg door op de sociale zekerheid. Deze maatschappelijke kosten worden door het heffen van accijnzen terug afgewenteld op de rokers die aan de basis van deze kosten liggen.

De industrie lanceerde in 1984 een 109 pagina’s dik lobbyprogramma om via een combinatie van verschillende strategieën te proberen voorkomen dat de accijnzen op tabak zouden stijgen.

Als onderdeel van dit programma werd een netwerk van Amerikaanse economieprofessoren. Taak van deze economen was twijfel zaaien. Geen twijfel over de gezondheidsrisico’s ditmaal, maar over het nut van accijnzen op tabaksproducten. Dat deden de professoren door te argumenteren dat de economische opbrengsten van de tabaksindustrie erg hoog liggen, en dat het heffen van hogere accijnzen tot een economische terugslag zou leiden, een terugslag die groter zou zijn dan de meerinkomsten die worden veroorzaakt door de accijnzen.

Libertarians

De gerekruteerde professoren waren zonder uitzondering rechts-liberaal of libertarisch. Deze politieke strekkingen hebben als doctrine dat een overheid zo min mogelijk moet ingrijpen in de vrije markt. In het geval van het libertarisme wordt zelfs het bestaan van een overheid verworpen, omdat deze doctrine stelt dat de vrije markt uit zichzelf tot een evenwicht zal leiden dat efficiënter werkt dan eender welke overheid.

De politieke overtuiging speelde een rol bij de rekrutering van leden van het zogeheten “economen netwerk”. De tabaksindustrie besefte dat deze professoren zich vanuit hun politieke overtuiging verzetten tegen éénder welke vorm van taksen, en dat ze zich daarom ook zouden verzetten tegen het heffen van taksen op tabaksproducten. Het enige wat de tabaksindustrie hoefde te doen was hun aandacht vestigen op de accijnzen op tabak.

Netwerk van professoren

Maar de economen waren geen “nuttige idioten”. Ze waren er wel degelijk van op de hoogte dat ze werkten (en betaald werden) door de Tobacco Institute, en dat ze opereerden als slapende cellen die geactiveerd werden wanneer de tabaksindustrie nood had aan hun medewerking.

Robert D. Tollison, professor aan de George Mason University, en tabaksconsultant James Savarese zetten in de jaren ’80 en ’90 een netwerk op waarin meer dan 120 professoren actief waren.

De tabaksindustrie had duidelijke doelen voor ogen, de professoren moesten ingezet kunnen worden om

  • media te bestoken met opiniestukken waarin de maatschappelijke kosten van tabak in twijfel worden getrokken
  • deel te nemen aan politieke hoorzittingen waarin het nut van tabaksaccijnzen wordt bediscussieerd
  • (pseudo-)wetenschappelijke output te produceren die het verzet tegen accijnzen een zweem van wetenschappelijke geloofwaardigheid moest verschaffen

Al deze activiteiten werden zwaar vergoed door de tabaksindustrie: uit de betalingen die werden teruggevonden (1 miljoen dollar) en de activiteiten waarvoor geen vergoeding werd teruggevonden kan door extrapolatie worden afgeleid dat het Tobacco Institute ongeveer drie miljoen dollar (gecorrigeerd voor inflatie zo’n 5 miljoen euro) moet hebben betaald.

Lobbyisten

De tabaksindustrie wenste een netwerk op te zetten waarbij in iedere Amerikaanse staat een econoom werd gerekruteerd die bereid was te getuigen voor politici. Deze lokale factor was belangrijk omdat het Tobacco Institute steeds zocht naar getuigen die zo geloofwaardig mogelijk overkwamen. De industrie besefte dat het overvliegen van een econoom uit een grootstad de kans vergrootte dat deze getuige werd aanzien als een ‘vreemde’ die lokale politici even zou komen vertellen wat ze moesten doen.

De lokale factor was belangrijk, en de industrie verkoos economen uit de hoofdsteden van staten, omdat die een grotere geloofwaardigheid zou uitstralen dan economen van een kleine provinciale universiteit. Om dezelfde reden verkoos de industrie mannelijke getuigen. Tevens lette de industrie erop dat (de kernleden van het netwerk uitgezonderd) de gerekruteerde economen ook niet té actief werden, zodat ze zich niet zouden verbranden door te hoog boven het maaiveld uit te steken.

In de jaren ’90 kregen de economen die getuigden tijdens hoorzittingen tot $10.000 per zitting. De documenten in de Legacy Tobacco Documents Library (LTDL) maken echter duidelijk dat de verklaringen niet het werk waren van onafhankelijke academici, maar dat deze getuigenissen werden voorbereid door het Tobacco Institute. Tevens is duidelijk dat de economen zaken verdedigden waar ze zelf niet in geloofden, zo schreef de industrie bijvoorbeeld:

Stukken als hierboven maken duidelijk dat de economen geen academici waren met politieke denkbeelden die toevallig pasten in het kraam van de tabaksindustrie, maar dat ze wel degelijk moeten beschouwd worden als lobbyisten voor wie de betaling door de tabaksindustrie belangrijker was dan intellectuele eerlijkheid.

Andere stukken in de LTDL maken duidelijk dat de economen hun naam zetten onder rapporten die in werkelijkheid waren geschreven door de tabaksindustrie.

Wetenschappelijke papers

Op verzoek van de industrie schreven de economen verschillende opiniestukken die bewust enkel verstuurd werden naar de kleinere lokale kranten, omdat deze kranten minder kwaliteitscontrole hebben, en de kans op publicatie dus hoger lag. De economen ontvingen instructies omtrent wat ze moesten schrijven. Voor ze hun opiniestukken naar de media mochten opsturen moesten ze eerst gecontroleerd worden door de advocaten van de Tobacco Institute, die bijvoorbeeld systematisch het woord ‘vermeende’ toevoegde aan de paragrafen die handelden over de -vermeende- gezondheidseffecten van tabak. De economen ontvingen tot $3.000 per gepubliceerd opiniestukje, en ze werden meer betaald als ze dit stuk vervolgens opstuurden naar hun lokale senatoren.

Robert Tollison en Richard Wagner schreven een vijftal pro-tabaksboeken, waarvoor ze tot $20.000 per boek ontvingen. Vervolgens namen de auteurs deel aan “media-tours” doorheen de Verenigde staten, uiteraard tegen betaling (van $3.000 tot $5.000 per dag). Om deze boeken nog meer aandacht te geven, werden door andere leden van het netwerk boekrecensies geschreven (die uiteraard lovend waren) en opgestuurd naar de lokale kranten (de industrie betaalde in totaal $60.000 voor 17 recensies, die elk niet langer waren dan 2 getypte A4-tjes). Anders gezegd: de tabaksindustrie betaalde een kleine $2.000 dollar per pagina.

De “wetenschappelijke” papers hadden een dubbel doel: enerzijds zorgde deze output ervoor dat de lobbyisten van de industrie materiaal in handen kregen waarmee ze politici konden trachten te overtuigen dat er “economische twijfel” bestaat over het heffen van accijnzen. Anderzijds hoopte de tabaksindustrie dat deze “wetenschappelijke” output een kiem van twijfel zou zaaien bij andere, onafhankelijke, economen. Om die reden hebben de kernleden van het netwerk hebben hun “wetenschappelijke” output jarenlang voorgesteld op congressen, waarvoor ze uiteraard vergoed werden door het Tobacco Institute.

Cirkel

De argumenten die door de economen werden gebruikt pasten perfect binnen hun extremistische rechtsliberale wereldbeeld. Zelfs de tabaksindustrie had hierbij soms haar twijfels. Karen Fernicola, medewerkster van het Tobacco Institute, noemde in 1993 een rapport geschreven door Dwight Lee ‘grenzend aan het krankzinnige’. Ze zette haar bedenkingen op papier vanuit een bezorgdheid omtrent de geloofwaardigheid van de propaganda. Een auteur die schrijft dat “de anti-rookmaatregelen van het Amerikaanse Environmental Protection Agency verantwoordelijk zijn voor een stijgen van het aantal tabaksdoden” is inderdaad zo van de pot gerukt, dat het volstrekt ongeloofwaardig wordt. De extremistische sentimenten van de economen over de rol vormden echter net de reden voor hun rekrutering. Lee, die eerder ook al schreef dat EPA laten beslissen over binnenhuisluchtkwaliteit “would be like giving a machine gun to a child” was al sedert het midden van de jaren ’80 één van de actiefste leden in het netwerk, en dit zou blijven tot in 1998 het spoor doodloopt in de LTDL.

Omwille van de hoger aangehaalde tabaksprocessen werden in 1998 de interne documenten van de tabaksindustrie openbaar gemaakt, en dit betekende waarschijnlijk het einde van het netwerk. De namen van de leden van het netwerk lagen immers op straat. Desondanks is de reikwijdte van het netwerk tot op heden niet of nauwelijks beschreven. Ik hoop dat dit  rapport kan bijdragen tot de kennis van het netwerk, die uit meer activiteiten bestond dan diegene die hier summier werden aangehaald.

De meest actieve leden van het netwerk zouden massaal lid worden van rechtsliberale denktanks zoals het Heartland Institute en het Independent Institute, twee denktanks die op hun beurt zelf ook de gezondheidseffecten van passief roken in twijfel trekken (en uiteraard gesponsord worden door de tabaksindustrie). Deze twee denktanks passen binnen de ruimere modus operandi van de twijfelindustrie zoals beschreven door Oreskes en Conway. Het Heartland Institute is momenteel vooral bekend als een denktank die de menselijke invloed op de opwarming van de aarde hardnekkig ontkend. Uit gelekte emails blijkt dat het Heartland Institute maandelijks $5.000 betaalde aan S. Fred Singer. En daarmee is de cirkel rond.

Jules K

foto: WikiMedia Commons

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.