Er is iets met beharing, in deze naakte tijden.

Louis Vivin: Vue de Montmartre



har verkooyen


NAÏEVE SCHILDERS IN MUSÉE MAILLOL

Schuin tegenover het Maillol, op de hoek met de Rue du Bac, ligt café Le Florès. Om tien uur ‘s morgens neemt iedereen koffie, behalve een oudere man met een sjaal, die witte wijn drinkt. Had hij er niet zo netjes uitgezien, dan zou ik hem voor een alcoholist houden. Nu is hij er natuurlijk ook een, maar hou ik hem er niet voor. Het café, met een zaaltje om te eten, heeft een interieur net als vele waar ik al koffie heb gedronken of tussen de middag heb gegeten. Niets uitzonderlijks, ze hebben een eenvoudig maar goed maal voor de buurt en in dit geval ook voor de museumbezoeker, neem ik aan. Van dit soort café-restaurants moeten er honderden in Parijs zijn, met zo’n inrichting en een vergelijkbaar menu – en een perfecte koffie voor één euro dertig.

Aan de overkant, in musée Maillol, is de grote tentoonstelling van de naïeve schilders, de autodidacten die een rol speelden aan het eind van de negentiende, begin twintigste eeuw. Henri Rousseau, de douanier himself, is de bekendste en dat vooral door zijn leeuwen in de jungle. Twee mensachtige, besnorde leeuwenkoppen staan je te bespieden tussen de sanseveria’s en de bomen van het oerwoud, waarvan elk blad zorgvuldig, in een minutieuze herhaling, op het doek is gezet. Louis Vivin kan ik meer waarderen omdat hij slordiger is en zijn tijgers tussen de palmbomen noch op tijgers, noch op mensen lijken. De in de bomen vluchtende apen klimmen op een menselijke manier met hun benen om de stam geslagen, zoals jongetjes in een appelboom.

Aan de muur wordt een uitvergroting getoond van een foto van Picasso met in elke hand een door hem gekocht schilderij van Rousseau. Hij kijkt er nogal guitig bij, zo van: deze zijn geen enkele bedreiging, want lang zo goed niet als mijn werk. Pablo kende zijn waarde. Er gaat het verhaal dat hij in een restaurant wat zat te kliederen op een papieren tafelkleedje en dat de eigenaar hem daarvoor een gratis maal aanbood. Toen deze daarna de overmoed had om Picasso te vragen er een handtekening onder te zetten, antwoordde hij: “Ik koop alleen de maaltijd, niet je hele restaurant.”

Séraphine kende ik niet. Er hangen een paar grote schilderijen van haar, tot de nok gevuld met bladeren, die allemaal los op het doek staan, zonder overlap. Ik vroeg net aan E. hoe het motief heet dat je vindt op die hemden die alleen door ballen worden gedragen. Bedoel je die blauwe hemden met een witte kraag? Nee, met een motief van bladeren. O, paisley, zei ze. Daaraan doet Séraphine’s werk me denken, want daar is ook elk blad binnen zijn omtrek helemaal gevuld met bolletjes en streepjes. De schilderijen van Séraphine maken daarom op mij een nogal highe indruk, want als ik stoned was leverde het tekenen van herhaalde motieven een diepe bevrediging, alsof ik aan de tijd ontsnapte.

Camille Bombois: Le Repos des Gens du Cirque
Ik ga naar zaal 11 of 12. Het slaat me op de ogen. Net als op zo’n eerste warme dag van de lente waarop ik onschuldig in de trein stap, om in zo’n vak van vier zitplaatsen te belanden waar het lijkt of je bij mensen op visite bent. Maar deze keer krijg ik een dreun van het blote meisjesvlees, want alle drie meisjes hebben een minuscule hotpant aan. Hun vlees is nog niets gebruind en in deze jong-roze variant beneemt het mijn ogen de adem. Aan de muren van dit zaaltje hangt werk van Camille Bombois. Grote en erg blote naakten. Geschilderd door een man die zich geen modellen kon veroorloven. Of die daarvoor van Madame Bombois geen toestemming kreeg. Daarom moest de schilder een visuele reconstructie maken van wat hij ‘s nachts onder de dekens tastenderwijs had ervaren. Hij had nog niet van Norbert Elias gehoord en dus geen afstand gecreëerd tussen de honger en het voedsel – tussen zijn geile blik en het lustwekkend object. Bombois lijkt nog niet op wat wij met onze beschaafde fotografische blik geleerd hebben.

Bombois verliest zich dus niet in allerlei esthetische omwegen of sociale conventies, maar gaat in één tel over tot de essentie. Hoofden doen er niet toe en worden vaak niet afgebeeld. Het gaat om borsten, konten, dijen. En deze essentie is twee of drie keer zo groot geschilderd als de andere lichaamsdelen. Ik reis terug naar een tijd waarin de nieuwsgierige, zelfs gefascineerde blik nog niet om zeep is geholpen door een overdaad aan precisie, waar de blik aan een eerste notie genoeg had om lang over te peinzen. Het bliksemt, riepen ze in mijn dorp als je onder een rok een witte flits zag van een meisjesonderbroek. Nette meisjes letten erop dat het “zo goed als nooit”, maar niet nooit gebeurde.

Bombois’ “Het meisje met de pop” heeft dinosaurusarmpjes met mini-handjes, maar dat gebrek wordt gecompenseerd door twee imposante dijen onder een kort rokje. Op de dijen is een structuur geschilderd waardoor ze stevig behaard lijken. Zoiets is ongekend in de hele geschiedenis van de schilderkunst, heeft zelfs iets pornografisch en het zou aanleiding gegeven hebben tot de titel “het meisje met de harige benen”. Daardoor vraag ik me af of het mijn eigen eigenaardigheid is die mij haar vel doet zien als behaard. Door een raam is een tuin te zien met een standbeeld dat aan Magritte doet denken, maar in 1925 schilderde die nog kubistisch en verdiende hij de kost met reclametekeningen.

Er is iets met beharing, in deze naakte tijden. Ik geloof niet dat we nu minder preuts zouden zijn. Als dat zo is, dan wordt behaard zeker niet afgewezen omdat het te bloot zou zijn. Eerder omdat harig het naakte lichaam accentueert. Dat lijkt te kloppen met Courbet’s Oorsprong van de Wereld en ook bij een naakt van Bombois als “Nu de face”, waarop gezien de titel verbazend genoeg geen gezicht te zien is. Het beeldt een liggend vrouwenlichaam uit van de knieën tot net onder de borsten. “Zur Sache”, of zoiets moet Bombois gedacht hebben, “een gezicht leidt alleen maar af.” Het relevante deel van het lichaam is prettig behaard, zeker niet te iel, hoewel smaken daarin verschillen. Het heeft een donker kuifje en verwijst naar wat daaronder zit.

“De dikke boerin op de ladder” uit 1935 beeldt een dikke boerin op klompen op een ladder af. De blik is die van de gefascineerde toeschouwer die – uiteraard – onderaan de ladder staat en de boeiende dijen nu van achteren kan zien, net als de binnenkant van haar zwarte rok en de witte onderjurk. Over de treden van de ladder hangen sprieten stro, die de enige afleiding in het schilderij vormen. En ik ruik haast de stal. Mijn opa zei dat over een paard dat zonder sturing de weg naar huis wist: het ruikt de stal. En Bombois, in zijn erotisch essentialisme, wist precies waar de geile blik over ging. “Mais où sont les grands lubriques d’antan?” In dezelfde hemel als de “grands buveurs”.

Uitgelicht: Louis Vivin – bron
Ingevoegd: Camille Bombois – bron
Ter info: Séraphine

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.