Hoe zacht is de bult, geleend van een bultenaar!

William Mark Sommer



Har Verkooyen


Maggie Thatcher was niet de eerste, maar wel de best hoorbare in de grote samenzang toen ze verklaarde dat de individualisering voltooid was. Ze deed dat in 1987 met de wrede uitspraak: “…you know, there’s no such thing as society. There are individual men and women and there are families.” De mijnwerkers van Wales hadden vlak daarvoor, in 1984/85, een jaar lang gevochten voor iets wat collectief was – en verloren. En Maggie schafte met de maatschappij de klassen af.

Dat er alleen individuen bestaan en de maatschappij hoogstens de resultante is van de optelsom van die individuen is in de dertig jaren daarna als volkomen waar geaccepteerd. Die acceptatie is voor mij niet het bewijs van het niet-bestaan van die maatschappij, maar veeleer van haar fictionele kracht, de kracht om een lulverhaal aangenomen te laten worden. De organisatie van de maatschappij is zodanig dat ze ons ervan doordrongen heeft dat zij zelf niet bestaat – en zelfs dat er geen alternatief voor dat niet-bestaan is. Mensen leven in zuiver individuele huizen, een huwelijk of iets dergelijks is een volkomen privékwestie, hun omgang met de staat is die van kiezer en belastingbetaler, ze zijn individuele consumenten die hun vrije keuzes maken en ook hun relatie met hun baas (werkgever heet die, godbetere) is een individuele. Me dunkt dat in al deze vrije aspecten van het individu meer fictie en utopie aan het werk is dan in de constructie van het begrip maatschappij.

De burgerij heeft nooit iets anders willen zien dan het individu. Dat was toch degene die verantwoordelijk is voor het eigen succes? Een van de eerste besluiten van het burgerdom tijdens de Franse revolutie, was het verbieden van arbeidersunies en van elk collectief onderhandelen en het beperken van loononderhandelingen tot de individuele arbeider en de individuele kapitalist. Het kostte veel strijd en bloed om dit decreet af te schaffen en de “unions” te legaliseren. Na een tweehonderd jaar durend rondje van de geschiedenis zijn we bijna terug op dit uitgangspunt.

Kapitalisten en sociaal-demokraten wisten al gauw dat een huiseigenaar niet staakt. Resultaat van dit gedeelde inzicht is dat bijna iedereen in een eigen huis woont en zich koestert in de illusie dat het van hem is en niet van de bank of de hypotheekmaatschappij. Zo wordt het evidente onzichtbaar. De zelfdiscipline van de hypotheekbetaling steunt voor een groot deel op de letterlijke en figuurlijke eigen schuld. “Hoe zacht is de bult, geleend van een bultenaar!” Omdat de maatschappij onzichtbaar is zijn alle individuele gezinnen – die toch al uit elkaar vallen – zelf ook verantwoordelijk voor het geluk en het ongeluk van hun eigen kinderen. De ermee samenhangende illusie is dat de familiale opvoeding bepalend is. Braaf kind: goed gedaan; stout kind: jouw schuld.

De kracht van de zelfdiscipline is moeilijk te herkennen omdat de arbeiders geen gezamenlijk geheugen meer hebben. Maar ik herinner me dat ze vroeger nog rebelse franjes hadden. Toen ik vakantiewerk deed op mijn veertiende of vijftiende bij een plaatselijk aannemer stond ik op de uitkijk om de kletsende en rokende metselaars door een fluitsignaal te waarschuwen dat de baas er aan kwam. Op vrijdagmiddagen werd ik eropuit gestuurd om een krat bier te kopen, die de mannen leegdronken terwijl ik aan de straatkant met hamer en beitel voor de vorm wat cementklodders verwijderde. De bouwvakkers werden toen nog alleen door hun bazen, nooit door henzelf, van basale luiheid verdacht.

Meer dan twintig jaar later noemden de West-Duitse arbeiders de bouwvakkers uit het oosten lui omdat ze de normen van de productie nog niet geïnternaliseerd hadden. Want ze hadden geen zin om op vrijdagmiddag een paar uur langer door te werken, zodat ze op maandag niet een paar dagen hoefden te wachten tot de dan gestorte beton droog genoeg was op door te kunnen metselen. De West-Duitsers hadden geen enkel oog voor wat ze zichzelf hadden aangedaan en dus waren niet zij de idioten, maar de anderen. Een vaste wet overigens. Maar de verandering van de arbeid in levend kapitaal heeft pijn gedaan.

Het is in feite één lange strijd geweest, met boetes en ontslagen, om de “zelf-discipline” erin te rammen: op tijd komen, doorwerken, kort schaften, pas vertrekken na de fabriekssirene. Nooit verzuimen, tenzij met een briefje van de dokter en dat werd zorgvuldig bijgehouden, de reden en de frequentie. Je moest je laten koeioneren door de baas en mocht niet dreigen hem een schroevendraaier in zijn buik te steken, want dan vloog je de laan uit. Zulke verhalen kwam je tot in de late jaren zestig nog tegen in Tilburgse arbeiderskroegen. In die stad was toen nog steeds op maandag het ziekteverzuim het hoogst en op vrijdagmiddag stemden veel arbeiders met hun voeten. In elke Tilburgse goeie kroeg kon je “de maandag gaan halen”, wat inhield dat je een pilsje van de kroegbaas kreeg.

Mijn opa en oma waren aan het begin van de 20e eeuw, halverwege dus tussen nu en de Franse revolutie, eerst nog vrije landarbeiders. Sociaal gesproken waren ze het laagste van het laagste. Ze trokken in het voorjaar naar het Rijnland om klei te delven en daar in veldbrandovens stenen van te bakken. In het najaar, tegen de tijd van de oogst vertrokken ze naar de rijke bietenakkers. Er is een oude roman van de Limburger Paul Haimon (“De weg over de grens ̈) over deze vrije arbeiders, de arbeiders van vóór de fabrieken, waarover een vriendin, Hilde Marijnissen, toendertijd een goede scriptie heeft geschreven. Ik kom nog wel eens terug op de dood van Hilde en haar Duitse vriend Tillmann Rexroth, een van de bewerkers van het verzameld werk van Walter Benjamin.

De “brikkenbakkers” werkten in zelfstandige ploegen met een simpele taakverdeling voor mannen, vrouwen en kinderen, maar zonder sterke hiërarchie. Ze woonden in eenvoudige schuren, met beneden één grote woonruimte en op de zolder een enkel slaapvertrek. Ze leidden een vrijgevochten leven, ver van huis, deze voornamelijk jongere mannen en vrouwen, en keken met minachting neer op de slavenarbeiders in de fabrieken. Ze werkten lang en hard en ze verdienden zeker zo goed als fabrieksarbeiders, maar hadden wel hun vrijheid. Thuis, in Limburg, was hun enige mogelijkheid om zich als mijnwerkers te laten werven voor de mijnindustrie en zich te laten commanderen. Opa en oma kregen twee kinderen in die tijd, de oudste tijdens de bietencampagne van 1911, de tweede in 1913 in de klei. Toen brak de eerste wereldoorlog uit. Er kwam een abrupt eind aan dit vrije leven. Opa werd mijnwerker. Oma – klassiek verburgerlijkend op arbeiderswijze – kon thuis blijven met haar groeiende gezin.

Ik zie mijn grootouders als de laatste aanhangers van de legendarische Ned Ludd – op passieve wijze echter, niet door het stukslaan van weefgetouwen, maar door de koppige weigering om vrijwillig de hel van de fabriek binnen te gaan. Het is een van de meest bedenkelijke kanten van Karl Marx – samen met zijn rabiate veroordeling van het Lumpenproletariaat – dat hij de Luddieten beschreef als reactionaire strijders tegen een onweerstaanbare modernisering.

Welk arbeidersgeheugen is er nog dat deze strijd kent – én de verontwaardiging later van mijn vader die met de vuist op tafel sloeg en uitriep dat zijn vrouw niet hoefde te gaan werken? Nu werken alle arbeiders met zijn tweeën en is elke oude trots omgekeerd tot onderdrukking. Van de ander en het eigen zelf.

En terug in het nu zijn de mensen die om welke reden dan ook deze discipline niet konden of wilden internaliseren de losers van de maatschappij. De generationele uitkeringstrekkers, die ergens gedwongen gedetacheerd worden om de meest basale arbeidsdiscipline te verwerven: ‘s morgens je nest uitkomen en en dus de avond tevoren je niet bezuipen. Met deze mensen mag het in sociaal werk opgeleide hogere personeel doen wat het wil: vernederen, commanderen, minachten. Alles wat mijn opa pas na lange strijd met zichzelf niet zozeer accepteerde, maar waar hij zich bij moest neerleggen vanuit de kracht van de realiteit.


Uitgelichte foto: William Mark Sommer – bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.