Getallen

Richard Mercille


 

Har Verkooyen


Vroeger heb ik wel gedroomd dat ik het oneindige kon benaderen en er zijn van die taakjes waaraan je dan gewoon moet beginnen. Een, twee, drie… Ik ben ooit tot 20.000 gekomen. Niet zoals bij het aftellen tot honderd bij verstoppertje, waar ik na twintig doortelde met een twee drie vier vijf zes zeven acht negen dertig en dan weer een twee drie tot veertig, maar eerlijk, met volledig uitgesproken getallen eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig en later negenduizendachthondervierenzeventig. De 20.000 haalde ik in zes dagen, elke dag een uurtje of twee. Gék moet je zijn en al zo jong: een jaar of negen was ik.

Ik ging naar een nette middelbare school met HBS-A en B en een Gymnasium. Pas veel later drong het tot me door hoeveel geluk ik heb gehad met deze school. Van de katholieke middeleeuwen die de dorpsschool bepaalden ging ik in één grote sprong naar de Verlichting, die weliswaar nog steeds katholiek was maar wel al veel toleranter. Het gemis – dat ik toen nog niet voelde – was dat een zoon van een mijnwerker alleen naar het Gym kon en Grieks en Latijn mocht leren als hij pastoor of advocaat wilde worden. Dat laatste was weer geblokkeerd door mijn afkomst en het pastoorsberoep naast onze armoede door mijn eigen ontbrekende devootheid. Ik ging dus naar de HBS, waar je na het derde jaar kon kiezen voor de A- of de B-richting. Ik had een hekel aan boekhouden (in mijn leven staat dat synoniem voor oersaai, net als de droogkloterige beoefenaars ervan) en ik deed graag algebra en vooral meetkunde en daarom werd het HBS-B.

Meetkunde was de meetkunde van het platte vlak, niet van bollen, kubussen en kegels. En begint met Euclides, die een aantal axioma’s formuleerde en vandaaruit een groot aantal dwingende bewijzen leverde. Vooral door de onweerspreekbare aard van de bewijzen had de methode zoveel succes in de zestiende en zeventiende eeuw dat de grootste Nederlandse filosoof ooit, Baruch de Spinoza, haar toepaste om een even dwingend ethisch systeem op te bouwen. En ik, in het klein, genoot zo van deze “klare” methode dat ik haar ben blijven bewonderen en toen ik al zestiger was, de kans greep om het logische en compacte Latijn te leren en daarna Spinoza’s Ethica te lezen in de Reclam-uitgave met links de Latijnse tekst en op de tegenoverliggende pagina de Duitse. Elke avond in bed las ik drie of vier pagina’s om als oudere man nog naar het oneindige te zoeken in de Euclidische filosofie van Spinoza.

Ik heb op dit punt veel geleerd van een van de “oude baarden” – degene die van zijn oneindigheidsbegrip de slechte oneindigheid afscheidde. En daarmee scheidde hij haar ook uit van de werkelijke oneindigheid. Slechte oneindigheid is de vervelende oneindigheid waaraan werkelijk geen einde komt omdat er altijd nog wel een object aan toegevoegd kan worden. Geld is een typische slechte oneindigheid. Zo lees ik in de krant dat het voor mij onvoorstelbare vermogen van Jeff Bezos van meer dan 130 miljard dollar met nog een paar even onvoorstelbare miljarden gegroeid is. Whatever! Een reële en menselijke oneindigheid wordt onzichtbaar door het oneindige geld. Je kunt zoveel weten als je wilt, je blijft niets zonder een aandeel in het oneindige geld.

Hoe moet ik nu de oneindigheid onderscheiden van haar slechte naamgenoot? Hoe Mr Hyde te verlossen van zijn oneindige Jekyll. Laat ik het persoonlijk houden: de goede romans die ik op mijn vijftiende of zestiende begon te lezen, bevatten al trekken van oneindigheid, de gedichten van de Vijftigers bevatten een paar oneindige zinnen. Als ik naar Marjolein keek, zag deze dwepende puber oneindige levensvreugde en schoonheid. (Zou ze daar in het vervolg van haar leven iets van hebben kunnen redden, verwend mooi meisje als ze was? Trieste levens leiden die vaak, mooie meisjes.) Ik heb aan het oneindige geroken in de euforie van het elkaar begrijpen van een een vrouw of vriend en mij. Ook drank gemixt met vriendschap leidde tot de geur van oneindige euforie. Als ik Max Beckmann zie of Otto Dix schieten er flarden van oneindigheid voorbij. En muziek is een bewijs voor een niet-bestaande god, dé metafoor van het oneindige.

Maar vooral is er het werk van de oudste oude baard, zijn Fenomenologie, die me nu rijker de oneindigheidservaring kan schenken dan de getallen. Het zijn altijd flarden, een geur die verdwenen is als je haar wil determineren, een huivering die al voorbij is zodra je haar voelt. Oneindigheid is er niet. De Fenomenologie geeft me bij elke nieuwe herlezing de ervaring dat ik het nu pas snap. En elke volgende lezing doet ze dat weer.

Toen ik ging studeren verwachtte ik dat het de vergrotende trap zou worden van de overgang van de lagere school naar de HBS. Ik nam gewoon aan dat de universiteitsbibliotheek honderd keer zo groot zou zijn als de Openbare Bibliotheek van Roermond, zoals deze laatste het honderdvoudige was van de dorpsbibliotheek – die alleen in de winter op zondagmorgen geopend was in één klein kamertje. En dat ik dan later, ouder en wijzer, na de studie aan de universiteit, weemoedig zou terugkijken op de schamele beginnerskennis die ik op de HBS had opgedaan. Dat ik de wereld was gaan begrijpen, maar dan dieper dan Zwanikken ons in de Sterrenkunde had ingeleid. Wat een teleurstelling! Als je sociologie gaat studeren krijg je geen denken meer, maar tellen. De maatschappij die je dacht te willen begrijpen wordt een populatie van telbare individuen, waarvan je met een beetje leepheid maar 5 % hoeft te bestuderen om te weten wat iedereen vindt of is. Deze leepheid – bedoeld om te bezuinigen op de hoeveelheid werk en op hersencapaciteit – heet statistiek.

De sociologie achtte zich een empirische wetenschap en liep achter de natuurkunde aan. In de praktijk liep ze in Tilburg gewoon achter. In notabene 1966 bestudeerden we het boek van George Homans: The Human Group uit 1950. Blijkbaar was ik niet terechtgekomen in de ambitieuze vervolgfase van de Verlichting, maar in katholiek Tilburg, een godvergeten gat met uiterst luie professoren. Homans beschrijft de omgang met elkaar van het soort volk waaruit ik voortkwam , de arbeiders, in een fabriek, Western Electric en hun taaie weerstand tegen productiviteitsverhogingen. Homans is daarbij de tegenpartij, de socioloog en onderzoeker die verbeten probeert deze weerstand te doorbreken. Al dat onderzoek was gebaseerd op meten is weten, de stopwatch van de sociometrie of moderner, de statistische analyse.

Statistiek werd gegeven door de jonge hoogleraar Stouthard, die op zijn manier zeker briljant was, maar tegelijk oliedom. Statistiek was een verplicht vak in de propedeuse en ik weet bij god niet hoe ik het gehaald heb. Want statistiek is in niets de klare lijn van de meetkunde. Het lijkt een beetje op denken, op het denken van techneuten die vinden alleen rekenen telt. De assistent van Stouthard was Jo Segers, Josephus Hubertus Gerardus, uit Montfort, een boerengat op een paar kilometer van waar ik geboren ben. Hij promoveerde twee jaar na de mijnsluiting op het personeelsverloop in het ondergrondse mijnbedrijf. Twee jaar na dato. Dán ben je bijdehand.

Wij eerstejaars moesten meewerken aan een onderzoek van Segers onder ontslagen textielarbeiders in Tilburg. Ieder kreeg tien vragenlijsten mee, een adressenlijst van de “respondenten” en fietste de adressen langs. Na veel afwijzingen (“nee bedankt”, deur dichtsmijten of andere boze reacties) besloten Tini S. en ik de zaak wat te versimpelen. We zeiden: meneer, mag ik uw geboortedatum? Dat was namelijk de enige controle die Jo ingebouwd kon hebben. Samen vulden Tini en ik de interviews in met wat wij dachten dat de werkloze textielarbeider van zijn lamentabele situatie vond. Vervolgens werden onze opvatting statististisch verwerkt en diepgaand geanalyseerd door een computer met ponskaarten, met technieken als chi-kwadraat en wat ik verder vergeten ben omdat ik me op de kwalitatieve sociologie stortte: Durkheim, Weber, Elias, Adorno, Simmel, Mannheim, de grote Joseph Gabel, en Karl Marx natuurlijk. Intussen zette Jo Segers een mooie volgende stap in zijn carrière. Mede dankzij het briljante invulwerk van Tini en mij.

Ik vind nog steeds dat getallen een fascinerende schoonheid hebben, maar alleen op zich, niet om dingen of mensen of geld mee te tellen. Ze vormen voor mij een troost, zoals een gedroomde vrouw voor Pierre Kemp, denk ik. Als ik wakker word uit een nachtmerrie of een onrustige droom, tast mijn voet in bed naar die van haar en construeer ik in mijn hoofd de priemgetallen tot vijfhonderd: 1, 2, 3, 5, 7, 11, 13, 17, 19, 23 enzovoort. Uiteindelijk slaap ik weer in. Ik weet nooit bij welk getal.

Statistiek geeft geen enkele troostende rust, evenmin als schoonheid. Ze kent alleen kwantiteit. Ze telt mensen, dingen en bedragen. Het woord statistiek alleen al bevat het begrip “staat”. Volkstellingen houden is geen hobby van Sittardenaren die trots zijn op hun stad, maar van de staat, van politici, belastingheffers en beleidsvormers. Ze heeft alleen een taak in een hiërarchie – hoe zeer ook raden-communisten als Pannekoek hebben nagedacht over de integratie van de statistiek in het socialisme. Deze vooral Nederlandse tak van het marxisme dacht dat het kapitalisme afgeschaft kon worden met de vervanging van het geld door urenbiljetten. Alsof die urenbriefjes niet onmiddellijk in geld zouden veranderen, net als sigaretten in oorlogstijd en gevangenissen.

Voor de staat – en dus ook de statistiek – is het mogelijk om een star, kwantitatief kader over mensen te leggen waarin elke mens = 1 individu. En daarbinnen: 1 man of 1 vrouw, 1 arbeider of 1 rijkaard. Kwalitatieve analyse vraagt zich af welke rijkaard de best eetbare zou zijn. Hoe klein je ook de subgroepen neemt, het blijft een groep identieke en uitwisselbare individuen met dezelfde kenmerken, die je vervolgens kunt vergelijken met een andere subgroep met een of meer andere kenmerken. Dan merk je dat het gemiddelde zwarte individu armer is dan het gemiddelde witte. Dat zijn echter geen individuen, maar data over abstracte individuen.

Abstractie ligt aan de basis van het kapitalisme. Marx is veel te weinig serieus en onbevooroordeeld gelezen, maar hij is uiterst helder. Aan het begin van zijn redenering legt hij de abstractie helder uit met het begrip “maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd”, waarin 1 arbeidsuur = 1 arbeidsuur. Hierin telt niets anders mee dan de kwantiteit van de tijd. Elk uur is exact gelijk aan een ander, zoals elk abstract individu exact gelijk is aan ieder ander. De levende werkelijkheid, met haar onrecht, haar leed, haar armoede en haar machtsmisbruik wordt weggemoffeld in de neutraliteit van de abstracte tijd.

De kwalitatieve menselijke ervaring vertelt ons iets anders. Een uur van geluk is niet gelijk aan een uur van angst. Voor depressieven kan soms de tijd verdwijnen. Maar ook in het gat tussen de secondes kan de tijd verdwijnen, zodat je elke tik afzonderlijk waarneemt.


Uitgelichte foto: Richard Mercille – bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.