Correspondances

Parijs



Har Verkooyen



Toen ik nog brieven schreef aan M. was ik eigenlijk de briefschrijfkunst nauwelijks machtig, althans niet in het Frans, want mijn Frans was te beperkt om een zinnig verhaal te vertellen dat ook nog mijn luciditeit kon tonen. En ik vond het te moeizaam en omslachtig om eerst iets te schrijven in het Nederlands en dat met het woordenboek te vertalen. Daarenboven was mijn woordenschat ook nogal plat: ik kende veel krachttermen (“merde”, “putain” of “merde de putain”), veel woorden als “truc” (dinges), “flic” (wout) en “fric” (poen), veel beledigingen (“Ta gueule” en “casse-toi” of in het Arabisch “halouf” (varken) en “zboromek” (de kut van je moeder). Ik bezat een klein woordenboek van het Argot, het Franse boeventaaltje. Als ik door geestdrift bezield raak wil ik nog wel eens terugvallen in deze voor mij nu ouderwetse taal.

Het leven van M. en mij, hij in Parijs, ik in Tilburg, speelde zich veel buitenshuis af, lezend en discussiërend in kroegen of in de bedden van jonge vrouwen. Telefoon hadden wij geen van beiden en als we die gehad zouden hebben waren we toch onbereikbaar omdat we nooit thuis waren. Af en toe schreven we elkaar dus een brief, niet om van alles te vertellen, maar om te zeggen dat we er nog waren. De brieven begonnen ouderwets met “Cher camarade”, waarop ik varieerde met cher macadare, cher daracame, cher ramaceda etc. Ze gaven commentaar op vooral de Franse linkse politiek, die bestond uit kleine tijdschriften als het radencommunistische “Socialisme ou Barbarie”. Of uit de blaadjes van eigen groepjes, zoals “Pour Les Conseils Ouvriers”, die meestal na twee afleveringen ophielden te bestaan. Ons leidend voorbeeld was de revue van de Situationistische Internationale (IS in het Frans), waarvan het laatste nummer, nummer 12, in september ‘69 was uitgekomen. Ik heb een exemplaar dat ik blijkens mijn datering voorin, in februari ‘70 in een Parijse boekhandel heb gekocht. Met dergelijke dateringen kan ik sommige delen van mijn geschiedenis reconstrueren.

En we schreven dat we elkaar misten. Of ik kondigde een bezoek aan, waarin we een hele week aan een stuk met elkaar konden praten. Er zat dan een grote koortsachtigheid en begeerte in onze gesprekken, vooral in de eerste dagen van onze nieuwe ontmoeting. We hadden een hele boel in te halen. Alsof we minnaars waren en gehaast eerst een paar keer met elkaar naar bed moesten, voor we aan de meer copieuze liefde konden beginnen. De eerste uren van de gesprekken kwam ik vaak ongewild terecht in de Engelse dictionary in mijn hoofd, omdat ik het pad nog niet hervonden had naar de Franse dictionnaire en dan moest ik vaak lang zoeken. Daardoor waren de gesprekken moeizamer dan eerder en ergerde ik me aan mijn eigen klunzigheid. Mijn vriendin F. vertelde me ‘s morgens na de eerste nacht dat ik dromend rechtop was gaan zitten en druk gebarend klanken had uitgestoten die aan Frans deden denken. Maar na een dag of wat had ik mijn oude Franse woordenschat terug, die weliswaar beperkt was, maar waarmee ik toch diepe gesprekken kon voeren over radicale politiek en onze weerzin van de maatschappij.

We onderbouwden onze verwantschap met behulp van de overeenkomsten tussen onze levenslopen. Hij kwam uit het zuiden van Tunesië, ik van Nederland. Hij had de studentenrevolutie van Tunis in ‘69 meegemaakt, ik het opstandje van Tilburg in hezelfde jaar. Hij was streng islamitisch opgevoed, ik in een conservatief katholicisme. Beiden hadden we de radicale theorie ontdekt en veel gediscussieerd om die te verwerken. We waren allebei grote lezers en deelden onze vondsten met elkaar. We lazen Wilhelm Reich, vooal zijn karakteranalyse, die we vaak benutten. We bezochten in Parijs allerlei linkse intellectuelen, door ons gewoon bij hun thuis uit te nodigen, zoals Kostas Papaioannou, oude Griekse verzetstrijder en Hegel-kenner, met wie we praatten over zijn vrij recente boek L’Idéologie Froide, nu uitgegeven in de onvolprezen Encyclopédie des Nuisances. Of met René Viénet, de situationist en auteur van het bijzonder goede boek over de beweging van ‘68 en de rol van de IS daarin. Hem zagen we urenlang in een Parijse kroeg (“un tabac”), waar ik verbaasd was over de communicatie per “pneumatique”, een persluchtsysteem door heel Parijs heen, zoals ze bij de AMRO-bank in Tilburg in het klein ook hadden.

Door hem werden sommige dingen zichtbaar. Dat de Parijse “flics” geen gewone onderdrukkers waren, maar ook racisten. Hij legde me uit hoe simpel reizen in de metro was met mij erbij, want in mijn witte gezelschap werden, anders dan gewoon, nooit zijn papieren vergeleken met zijn Noord- Afrikaanse Arabierenkop.

Ik leerde het Nederlandstalige IS-lid Tony Verlaan kennen en belandde met hem in een dom en belachelijk kroeggevecht in de Amsterdamse Walstraat, waar hij hoeren beledigd had en door een pooier een stifttand uitgeslagen kreeg. En ik ontmoette de oude Raoul Vaneigem, schrijver van het Traité de Savoir-Vivre à l’Usage des Jeunes Générations, in het Nederlands vertaald als “Handboek voor de jonge generatie”. We spraken af voor een lange nacht stappen en drinken in Amsterdam. Ik heb in die tijd ook een enkele klootzak leren kennen, maar voor situationisten was een breuk (“rupture”) eerder plicht dan keuze.

Nog steeds kan ik beter een intellectueel gesprek voeren dan eentje over eenvoudiger zaken. Ik praat met vuur over het voor mij absoluut onbegrijpelijke feit dat de Franse filosofie, die van de grote Diderot, juist de meest groezelige Duitse filosofen, Nietzsche en Heidegger, moest omhelzen en de grootste moeite bleef hebben met de waardevolsten, Hegel en Marx.

Gesprekken over alledaagse zaken, over dingen in huis, over ingrediënten bij het koken, over vogels en dergelijke, zijn veel moeilijker omdat ik weet dat een kraai (“corneille”) geen kauw (“choucas”) is, maar ik niet op dat laatste woord kan komen en hem moet omschrijven als een kleine corneille. Dat werkt alleen bij de meest welwillende gesprekspartner, eentje die begrijpt dat een object niet samenvalt met zijn omschrijving. Met M. is dat geen probleem. We hebben immers in ons leven allerlei varianten op het Frans gefabriekt en delen een idiolect à deux.

We zijn elkaar één keer uit het oog verloren. Hij was verhuisd en ik had geen adres van hem en ik was ook weer eens verhuisd, een van de zestien keer dat mijn nomadenbestaan me naar een nieuw adres in Tilburg voerde. Tijdens een griep had ik een koortsdroom over hem, dat ik hem ontmoette en hij mij niet herkende. Daarna probeerde ik een contactadvertentie te zetten in Le Monde en in Libération, maar die weigerden ze uit te voeren. Op een middag dat ik voor het eerst in jaren weer eens bij Voskens zat, met de mooie Annelies, kwam – wonder! – M. binnen die me was komen zoeken in de kroeg waar we vroeger vaak kwamen.

Sinds die dubbele terugkeer van de verloren zoon zijn we elkaar blijven bellen en ben ik vooral hem blijven bezoeken. Eind vorig jaar hebben we onze 50-jarige vriendschap gevierd, net als een oud echtpaar. Eerder ging ik twee keer per jaar en daarna een keer of vier, de laatste vijftien jaar zeker elke twee maanden, voor een klein weekje meestal. Ik ben “le promeneur de Paris” geworden. De laatste weken, sinds het “confinement”, bellen we elke dag om zijn eenzame opsluiting te doorbreken. Een paar dagen geleden hebben we, korte bellers in het algemeen, meer dan een half uur aan de telefoon gehangen. Hij spreekt zijn familie geregeld via Skype, waarbij hij hun ook kan zien. Ik daarentegen ben blij dat ik geen smartphone heb – ik vind gewoon bellen al te modern en zou de voorkeur geven aan schriftelijk communiceren. Maar ja.

Dus nu mail ik hem “links” met grote concerten, een bijzondere uitvoering in Aix van de Zauberflöte of van Mozarts Requiem, van Purcells Dido en Aeneas, of het geweldige concert van Brassens in Bobino. Hij is talig wat achteruitgesukkeld en antwoordt dan met “infiniment merci”. Maar hij kán het nog wel, zich uitdrukken. Een tijd geleden zei ik weer eens dat hij mijn oudste vriend was – ik ben niet het type voor lagere-schoolvrienden – en dat ik niemand kende met zo’n oude vriendschap als de onze. “Dat hebben we best goed gedaan samen,” zei ik. En hij antwoordde dat het helemaal niet zo moeilijk was geweest, want “t’as un talent pour l’amitié.”


Uitgelichte foto: bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.