Blowen of zuipen

Charles Baudelaire



Har Verkooyen



In vergelijking met mij is M. altijd een matige drinker geweest. Hij heeft jaren geen druppel gedronken, maar sinds hij een paar jaar geleden gestopt is met roken – en dus ook met blowen – drinkt hij weer zijn glas wijn bij de maaltijden. In het begin van onze vriendschap dronken we, als ik in Parijs was, wijn waarvan we toen nog vonden dat ze een – zoals ballen dat noemen – goede prijs-kwaliteitsverhouding had. Wisten wij veel. Later, toen we een laatste keer deze Vieux Papes probeerden, bleek het enkel goedkope bocht te zijn.

Ikzelf was eigenlijk een echte bierdrinker en hij even eigenlijk een echte hasjroker, geen wiet, nee hasj, dat blokjesspul waar volgens Baudelaire wat boter en wat opium doorheen worden gemengd om het de juiste consistentie te geven. Baudelaire was een experimentator op dit gebied. Net voor 1850 was hij samen met Victor Hugo, Alexandre Dumas en Honoré de Balzac lid van de Club des Haschischins, waarin vooral met het eten van hasj geëxperimenteerd werd. In 1851 schreef Baudelaire de mooie korte tekst Du Vin et Du Haschisch (1) “vergeleken als middelen ter vermenigvuldiging van de individualiteit”. Wat de wijn betreft haalt hij E.T.A. Hoffmann aan die vond dat sommige wijnsoorten veel geschikter waren dan andere bij het componeren van bepaalde muziek. Champagne hoort bij een komische opera, Rijn-wijn vanwege zijn bittere ondertoon bij religieuze muziek en Bourgogne bij heroïsche werken. Net als muziek heeft de mens ook zo’n barometer van stemmingen, vandaar dat je in een bepaalde mood volgens Hoffmann een bijpassende wijn hoort te drinken. Hij lijkt op de burger die geen rood drinkt bij vis, net als mijn zus, die bij al haar etiquette-regels zegt: “Dat is niet comme il faut”. Ze spreekt drie woorden Frans en laat dat zien.

Aan Baudelaire is een dergelijke benepenheid vreemd. Wijn is, zegt hij, geschikt bij alle stemmingen en activiteiten, of je nu ergens spijt van hebt, een herinnering wil koesteren, je verdriet verdrinken of een kasteel in Spanje bouwen. Wijn is tot alles in staat, ze kan de ogen doen stralen van je oudgeworden vrouw, van de oude metgezellin in je dagelijks verdriet en je oudste hoop. Wijn kan haar blik verzachten en in haar oogappel de flikkering van haar jeugd doen opleven.

Wijn gloeit in je buik als een godendrank. Ze is het vruchtbare zaad op de moeizaam geploegde akker. In het intieme samenzijn van de wijn met jou wordt poëzie geschreven. Jullie twee samen vormen één God en dan fladderen jullie naar het oneindige, net als de vogels, de vlinders, de zonen van de heilige Maagd, de geuren en alles wat vleugels heeft.

Prachtig, dat Baudelaire hier het oneindige vermeldt.

Hij gaat verder: zelfs de schillenboer is gelukkig in zijn dronkenschap, want zijn paard wordt, als hij vermoeid de Montagne Sainte-Geneviève naarboven loopt, het ros van Bonaparte en hijzelf de aanvoerder van de onoverwinnelijke Franse troepen. Iemand heeft gezegd dat er geen groter plezier is dan dat van een man die drinkt, tenzij het plezier van de wijn dat ze gedronken wordt. Zou er geen wijn bestaan, dan zou er een leegte zijn in de gezondheid en het verstand van de hele planeet, een gebrek dat zwaarder telt dan de excessen waarvoor men de wijn verantwoordelijk houdt.

Baudelaire noemt een vreselijk schilderij dat hij onlangs gezien heeft, waardoor hij desondanks sterk aangetrokken werd. Wat moet dat voor een mens zijn die zoiets monsterlijks kan schilderen? Zeker een ten diepste slecht mens. Na wat onderzoek bleek dat de schilder iemand was die voor dag en dauw opstond, zijn vrouw mishandelde en alleen maar melk dronk. Quod erat demonstrandum, leerden we op de HBS. “Er zijn inderdaad mensen met een kwade dronk, maar die mensen zijn van nature kwaadaardig,” zegt Baudelaire.

In het tweede deel van zijn kleine boekje behandelt Baudelaire de hasjiesj. Ik, bevooroordeelde, heb dat wel gelezen, maar vind het niet de moeite waard om samen te vatten. Nog korter dan een samenvatting dus: hij belooft de effecten te beschrijven van de hasj en de twee middelen te vergelijken waarmee de mens die zich ergert (exaspère) aan zijn persoonlijkheid in zichzelf een soort goddelijkheid kan scheppen. Ik citeer nu de vertaling van Bart Huges: “Ik zal wijzen op de nadelen van de hasjiesj, waarvan het minste gebrek, ondanks de schatten van ongekende welwillendheid die hij blijkbaar in het hart of liever in de hersenen van de mens doet ontkiemen, waavan het minste gebrek is, zeg ik, dat hij anti-sociaal is, terwijl de wijn diep menselijk is, en ik zou bijna durven zeggen: een man van de daad.”(2)

Eind jaren ‘60 kwam ik in Tilburg via Ton K. in contact met de eerste blowers en ik was nieuwsgierig naar wat bij mij de effecten zouden zijn. Ton nodigde me uit om eens mee te doen. De kamer was verduisterd. De vijf deelnemers zaten op kussens op de grond. De joint, een wijduitlopende dikke sigaret, ging rond. Om de beurt nam iedereen een diepe trek en hield dan om het effect te versterken zo lang mogelijk zijn adem in. Ik deed hetzelfde, maar voelde niets bijzonders. Bij de tweede doorkomst van de joint herhaalde ik dat diepe inhaleren en toen was het of ik een dreun kreeg. De muziek ging anders klinken. Kleuren werden intenser. Mensen werden anders – een beetje raar. Ik begon te giechelen en vertelde de anderen, die zwijgend naar de muziek luisterden, wat ik om te lachen vond. Ze konden mijn humor niet delen, luisterden naar de muziek en mompelden af en toe: “Te gek”. Ik vertelde anecdotes en bon mots, die spontaan in me opkwamen, en dan vond ik het meest humoristische dat zij daar totaal niet de humor van zagen.

Kortom, een dag of wat later vroeg Ton me om niet meer te komen – de anderen konden mijn geklets en gelach totaal niet waarderen.

De nacht na de blow-sessie had ik rijkere en realistischer dromen dan ik ooit had gehad. Ook mijn geilheid leek dieper dan anders. Muziek bevatte inderdaad langere en diepere melodische lijnen. Ik heb dat een paar weken volgehouden, vooral voor het slapengaan, maar toen was de lol eraf. Het lachen verloor intensiteit. Muziek bleef dezelfde muziek. Ik vond het maar een eenzame bezigheid.

Het belangrijkste wat ik met Baudelaire deel in de ervaring van de dronkenschap noemt hij “het fladderen naar de oneindigheid” en ik heb dat altijd “euforie” genoemd. Verschillende woorden voor hetzelfde fenomeen. Ten tweede is er de sociale aard van de drank – bij het blowen heb ik nooit die verbondenheid gevoeld die haast vanzelf ontstaat tussen twee drinkende vrienden.

In de vriendschap met M. heb ik de euforie van het drinken niet gevonden, wél iets dat erop lijkt, maar dan in onze gesprekken. Datgene wat dan op euforisch lijkt zou ik – hoe krakkemikkig is toch het instrument van de taal! – euforisch zonder euforie noemen: we begrijpen elkaar, we houden van elkaar, maar Baudelaire’s fladderen naar het oneindige heeft hier eerder de vorm van het besef dat het zou kunnen, dan dat het aan het gebeuren is.

M. is in het diepst van zijn hart bevreesd voor de overgave aan het sociale – ik zou hem niet met Baudelaire “anti-sociaal” noemen, maar wel zoiets, eerder “non-sociaal”. En dan heb ik het nog niet over de excessen van hasj en drank gehad, die Baudelaire oppervlakkig behandelt, namelijk mijn verslaving aan het eenzame drinken vanwege mijn gemis van iemand om euforisch mee te drinken en M.’s exces van het blowen in zijn eenzame gevangenis met de spoken van zijn geest die door de hasj opgeroepen werden – omdat ik er niet was om hem uit zijn wanen te trekken.

(1) In 2001 in het Nederlands uitgegeven door De Dolle Hond: Over de Wijn en de Hasjiesj, in een goede vertaling van Bart Huges.
(2) Pag. 20. Overigens zegt Walter Benjamin: “Zitate sind wie Räuber am Weg, die bewaffnet hervorbrechen und dem Müssiggänger die Überzeugung abnehmen.”


Uitgelichte foto: bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.