Een jaar geleden verdwenen zomaar mensen op de vlucht naar een beter leven, 243 jonge mensen. Vrouwen kinderen. Ze zouden ingescheept zijn op een boot, maar van die boot is geen enkel teken teruggevonden. Hoe is dat mogelijk en waarom interesseert dat bijna niemand?
Een verslag.
Ze heette Segen. Op de vroege ochtend van 28 juni 2014 was ze met haar jongste dochter Abigail aan boord van een boot gestapt in Libië. Segen was 24, tenger; Abi was nog geen twee jaar oud, een en al kroeshaar en bolle babywangen. Ze waren niet de enigen op de boot: alles bij elkaar waren er minstens 243 mensen aan boord, opeengepakt. Mensenvracht.
Net als de meeste mensen aan boord was Segen een vluchteling uit Eritrea — het “Noord-Korea van Afrika”, een van de meest onderdrukkende landen ter wereld. Allemaal hoopten ze dat de boot hen naar Italië zou brengen, weg van de ontberingen thuis.
De dag voor de boot vertrok belde ze haar echtgenoot Yafet. Ze hadden elkaar vier weken niet gezien: zij en haar baby waren duizenden kilometers naar de kust gesmokkeld, dwars door Libië; hij was achtergebleven in Soedan. Als zij in Europa was aangekomen, zou hij volgen.
De smokkelaar liet ze maar twee minuten met elkaar praten. Het was niet erg: als ze eenmaal in Italië was, zou Yafet haar weer spreken.
Hij heeft nooit meer iets van haar vernomen.
Yafet en Segen hadden elkaar negen jaar eerder leren kennen in een buurtcafé in de Eritrese hoofdstad Asmara. Hij zat in de vierde klas van de middelbare school, zij een jaar lager. Het koffiehuis was een gewilde hangplek voor hun schoolvrienden.
Jongens en meisjes mochten niet te veel samen optrekken en dus fungeerde een grotere groep tieners vaak als dekmantel voor stelletjes. Zo leerden Yafet en Segen elkaar ook kennen: ze vergezelden twee vrienden die stiekem verkering hadden. Wanneer die twee wat privacy nodig hadden, zaten Yafet en Segen intussen te kletsen. Stukje bij beetje werd hij verliefd op haar.
“Ik begon haar steeds leuker te vinden — niet na één dag al, maar na een paar maanden: ik vond de manier waarop ze praatte en lachte leuk, en haar glimlach”, zegt Yafet. “Ik werd verliefd, en vroeg haar om verkering.”
Yafet werd geboren in 1987. Hij was de jongste van zeven kinderen; zijn vader was natuurkundeleraar op een middelbare school en zijn moeder gaf typeles. Ze woonden in een gezinswoning in een goede buurt van Amara. In die tijd verkeerde Eritrea in de slotfase van een 30 jaar durende onafhankelijkheidsoorlog met Ethiopië, en gezinnen zoals dat van Yafet — uit de middenklasse, opgeleid — stonden in de startblokken om de ruggengraat van de nieuwe natie te vormen.
De vrijheid kwam er in 1993, maar het optimisme beklijfde niet. In 1998 escaleerde een nieuw conflict met Ethiopië en in twee jaar tijd kwamen 100.000 mensen om. Het leiderschap van president Isaias Afwerki kwam onder vuur te liggen: hij reageerde door de oppositie neer te slaan, particuliere landelijke nieuwsbladen te verbieden en iedereen die tegen hem inging gevangen te zetten. Sinds die tijd is hij aan de macht.
Vandaag de dag is Eritrea een van de meest onderdrukkende staten ter wereld: er bestaan talloze meldingen over marteling, dwangarbeid, willekeurige arrestaties, eenzame opsluiting, onrechtmatige terechtstellingen en verdwijningen. De nationale dienst is het belangrijkste controlemechanisme: burgers zijn voor onbepaalde tijd dienstplichtig, en werken onder dwang en voor een hongerloontje voor de regering. Vrijheid van meningsuiting, samenscholing en religie zijn aan banden gelegd.
Aan het begin van de repressie was Yafet amper een tiener, maar het heeft hem niet meer losgelaten. En toen hij eenmaal zag wat er om hem heen gebeurde, kon hij zijn ogen er niet meer voor sluiten.
“Ik vroeg altijd aan mijn moeder: ‘Waarom, mam?’ vertelt hij. “Mijn moeder zei dat ik daar niet op straat over moest praten. Dit is mijn eigen land. Ik vraag alleen maar wat er aan de hand is. Waarom mag ik daar niet over praten? Later zag ik pas wat er gebeurde met mensen die vragen stelden.”
Nu zijn meer dan 400.000 Eritreeërs — één op de 16 — het land ontvlucht.
In september 2007 waren hij en Segen twee jaar samen. Zoals iedereen in het land meldde hij zich na zijn eindexamen voor zes maanden militaire training, waarna hij verder zou studeren. Na zijn eindexamen, een paar dagen voor hij officieel in dienst zou gaan, vertelde hij Segen dat hij wegging uit Eritrea.
Ze was er niet blij mee. Niet omdat ze de onderdrukking niet zag — ze was zelf voortijdig van school gegaan om de nationale dienst te ontlopen. Ze was bang dat ze nooit samen een toekomst zouden kunnen opbouwen.
Maar ze zagen wel in dat blijven ook weinig kansen bood.
“We zagen geen toekomst voor ons samen, met die regering. Daarom ging ze akkoord. Ik beloofde dat ik haar niet zou vergeten. Ze zei dat ze voor me zou bidden… en dat we op een dag weer bij elkaar zouden zijn en kinderen zouden krijgen.”
HET VOLLEDIGE VERSLAG
MET ALS SLOT…
“Tweehonderddrieënveertig mensen zijn verdwenen. Jonge mensen. Vrouwen. Kinderen… Het kan niemand iets schelen. Het interesseert zelfs de wereld niet”, zei Yafet door de telefoon tegen me. Hij was kwaad, gefrustreerd.
“Denk eens terug aan Charlie Hebdo in Parijs; 14 of 15 mensen die door een paar terroristen werden neergeschoten… De hele wereld stond stil voor die 14 mensen, maar het waren wel blanke mensen, Europeanen.
Malaysia Airlines: hetzelfde verhaal”, ging Yafet verder. Een passagiersvliegtuig met 239 mensen aan boord stort neer en “de hele wereld, alle landen, probeerden te achterhalen wat er gebeurd was. Maar in ons geval, niets… omdat we een donkere huidskleur hebben? Ik weet niet waarom. Het is zo moeilijk. Wat moet ik zeggen?”
Yafet slaakte een diepe zucht.
“We zijn mensen.”
VERDER:
“Dag vader, de boot zinkt, dus ik ga dood.”
De verborgen massagraven van de vluchtelingencrisis
BRON
GHOST BOAT
Uitgelicht: bron