Liberté, fraternité, égalité…

Commune de Paris (1871)
Uit: “Le cri du peuple” naar de roman van Vautrin – Bewerking en tekeningen van Tardi



har verkooyen

 

IHSEN LARIBI

Ik ken M. nu zo’n vijftig jaar, sinds 1969, toen we elkaar ontmoetten in de Tilburgse commune “De Angel in het Vleesch” aan de Goirkestraat, opgericht na de bezetting van de Katholieke Hogeschool, die een week of wat had geduurd en die bekend is geworden als een actie voor de democratisering van het onderwijs. Mijn reet! We wilden een radicale verandering van de hele maatschappij, waarbij “we” staat voor “ik en nog een stuk of twintig rebellen”. Met de commune wilden we voorkomen dat we, ieder voor zich, in de burgerlijke zomp zouden terugvallen.

M. had jarenlang actie gevoerd aan de universiteit van Tunis, was daarvoor meermaals gearresteerd en afgeranseld door de politie en uiteindelijk zo ernstig bedreigd dat hij met een Tilburgse toerist mee moest reizen naar Nederland. Hij praat daar niet graag over, noch over zijn arrestaties en de bedreigingen door de politie, noch over zijn relatie met de Tilburgse student die hem aan onze voordeur afzette. Omdat ik de enige was die meer dan drie woorden Frans sprak en André Bretons Manifesten van het Surrealisme had gelezen, was ik de meest geschikte metgezel voor M. Gelukkig dat ik op dat moment thuis was – de anderen hadden hem waarschijnlijk doorverwezen naar het JAC. Nu stelden ze alleen de vraag hoe groot het aandeel van deze armoedzaaier in de huur en de huishoudkosten zou zijn. “Nul!”, vond ik, “de revolutie rekent geen verblijfskosten”.

Toen de commune een paar maanden later in elkaar donderde, lag het voor de hand dat hij met mij en de uittredende sectie zou meegaan. Nu nog herinnert hij zich het Nederlandse woord “betalen”, dat ook in de nieuwe constellatie met regelmaat over hem gebruikt werd. Na die winter – de eerste die hij ooit meemaakte – werd hij het land uitgezet. Een kort verblijf in Zwitserland heeft hem een diepe haat opgeleverd ten opzichte van alle Zwitsers. Er is geen racistischer volk ter wereld, vindt hij. Vanuit Frankrijk informeerde hij mij over zijn nieuwe adres. Het was in Rosny-sous-Bois, toen een gat ten Noord-Oosten van Parijs, waar nu een immens commercieel centrum is gevestigd. Ik ben hem die lente gaan opzoeken en ben dat blijven doen, al die jaren en op alle adressen. Een jaar of dertig geleden kwam hij in Clichy terecht.

Clichy ligt ten Noord-Westen van Parijs, net buiten de stad zelf en is deel van de “ceinture rouge”, de ring van armere steden rond Parijs, die tot voor de opkomst van Le Pen & Co in handen van de communisten was. Sommige jaren ben ik er niet geweest, dan weer een paar keer per jaar. Hoewel M. een mooie carrière in het onderwijs heeft gehad, is hij – net als ik, zal ik maar zeggen – marginaal gebleven. Vanuit dat marginale lijdt hij aan het leven: zijn buitenstaander zijn in allerlei opzichten. Dat lijden vertaalt zich in een aantal lichamelijke en psychische ziektes.

Sinds het ontstaan daarvan ga ik hem om de twee of drie maanden voor een klein weekje opzoeken. Dat valt nog niet mee. Maar gelukkig wordt de somberte af en toe door licht en warmte gecompenseerd, én de wandelingen die ik elke keer weer door Parijs maak. De “rive droite”, de armere kant van Parijs, ken ik het beste. Soms ga ik op het cimetière des Batignolles naar het graf van Breton, of op het kerkhof van Montmartre naar dat van Heinrich Heine.



Hij kookt bijna altijd hetzelfde voor ons. Op de avond van mijn aankomst is er vaste prik een chakchouka, hij maakt een tajine met groente, er is een keer lamslever met witte bonen en er staat een uitgebreide couscous voor twee dagen op het programma. Vroeger aten we vaker uit dan nu bijna nooit meer.

Een van de laatste avonden van mijn laatste bezoek in december – een zaterdagavond, geloof ik – werd gebeld of we thuis waren. Duh. Kwamen binnen Semmy en Ihsen. Alleen Semmy had ik eerder ontmoet. Ihsen was een grote, grofgebouwde man en droeg een rugzak waaruit de hals van een snaarinstrument stak, een soort kromme gitaar. Het bleek een luit te zijn. Een kromme gitaar met een ronde buik en meer snaren. Semmy zette de meegebrachte wijnflessen op tafel. Het gesprek ging in het Arabisch, met een enkele Franse zin voor mij. Ihsen stemde zorgvuldig zijn luit. Hij was leraar luit aan de universiteit – wist ik veel dat je aan een Franse universiteit luit kunt studeren. Hij was uiterst geconcentreerd. In een instrumentaal nummer liet hij zijn vlugge vingers de omvang van zijn lijf weerspreken. Lichtvoetige vingers kan ik toch wel zeggen? In een vocaal nummer liet hij zijn zachtheid zien. En dan was er de somberte van de Arabische liederen, die mij deed vragen of Arabieren ook vrolijke liederen kenden, wat hun verbaasd naar mij liet kijken, naar de noorderling die maar een heel grof en boertig begrip heeft van vrolijkheid. Ik schaamde me, hoewel ik net als Fons geen Bataaf ben, een beetje voor de “canaux, canards, canaille” van Voltaire.

De flessen wijn raakten leeg, het praten werd luidruchtiger, we moesten om de buren denken, ik werd opgenomen in de Arabische conversatie. M. zat in het midden van het gezelschap en werd een beetje dronken. Ihsen vertelde dat hij een meertalige groep had zonder een gemeenschappelijke taal, wat er niet echt toe deed want ze hadden de muziek om elkaar van alles te vertellen. We ruilden e-mailadressen. Als je zoekt op Ihsen Laribi kun je hem op Youtube een paar van zijn liederen en eigen composities horen uitvoeren. Maar dan voel je niet de warmte en de vriendschap die ik meemaakte. Asociale media.




Uitgelichte afbeelding: bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.