Sjiek en sjoen

Jean Dubuffet: “La Rue” (1943)




Als we praten over de gebouwde omgeving denken we de onbebouwde mee. De straat, maar ook het platteland of hetgeen we natuur plegen te noemen. Het land dat voor voedsel zorgt. Op dit antagonisme baseert onze ruimtelijke ordening.
 
De stad in de oorspronkelijk betekenis is als artefact vervaagd, ze is grenzenloos geworden en bepaalt grotendeels het leefklimaat van de mensheid. Het is de gesel van de van oorsprong westerse kapitalistische economie die dit proces bewerkstelligd heeft met het wereldwijd transport als verbindende factor tot vernietiging van wat ooit het land was. Wat rest is de idylle van oude stadscentra en natuurparken geschikt gemaakt voor het toerisme, waardoor stad en land van hun oorspronkelijke leefvormen beroofd worden en ondergeschikt gemaakt worden aan oncontroleerbare geldstromen en winstbejag.

 
Over de beperkte invloed van de (lokale) overheid op stedelijke ontwikkelingen:

“Ik kan een uitspraak doen over Nederland. Hier laat het neoliberalisme alles aan de markt over. Hele gemeentelijke afdelingen stedenbouw zijn gesaneerd. Ambtenaren zijn planbegeleiders geworden. De concrete invulling van steden is uitbesteed aan de vrije markt. Steden zijn in toenemende mate beleggingsobjecten geworden, onroerendgoedimperia verdelen hun risico’s door (wereldwijd) panden op te kopen. Ze splitsen gebouwen op en verdienen daar kapitalen aan. De duurste appartementen zijn pure beleggingsobjecten; ze worden nauwelijks bewoond. Er branden vaak geen lichten. Slecht voor de leefbaarheid. (…) Aangezien de controle door de lokale overheid afneemt, zitten marktpartijen, bestuurders en burgers samen op een projectiel dat met grote snelheid beweegt. Verwoed draaien ze aan knoppen om dit in een in hun ogen juiste richting te geleiden. In dit strijdveld waarin de commercie heel belangrijk blijkt, is het niet gemakkelijk voldoende aandacht te besteden aan moeilijk kwantificeerbare zaken zoals historische context en esthetiek. Vaak ontbreekt visie op de langere termijn. Een collectieve nachtmerrie dreigt.”

Aan het woord Nico Nelissen in een interview over zijn pas verschenen werk: ‘De stad als open boek’. Verder merkt hij op:

“Als éminence grise geef ik gastcolleges en merk ik dat het bij veel studenten tegenwoordig primair om studiepunten gaat. Het zijn geweldige mensen, maar ze beschikken over minder algemene kennis, kunnen niet meer op de schouders staan van mensen met veel kennis. De socioloog Max Weber, de econoom Karl Marx, de filosoof Alexis de Tocqueville of de antropologe Margaret Mead? Over wie heeft u het, meneer?”

Aan de betrokkenheid van de bevolking hoeven we niet te twijfelen, maar haar invloed is onevenredig gering. Ze moest alle ontwikkelingen lijdzaam aanzien en werd uit de oorspronkelijke stad verdreven om de bekende redenen. Ze leeft nu in armzalige rijtjeshuizen en flatjes van vier hoog, met een autootje voor de deur om aan die omgeving te kunnen ontsnappen, waardoor ze op haar beurt medeplichtig gemaakt wordt aan een voor haar ongewilde en ongewenste ontwikkeling. Een generatie verder en ze weet niet meer beter.
 

 
Het idee van Nico Nelissen wil ik graag oppakken. Wel de vraag wat komt voor sloop in aanmerking en hoe voorkom je dat met lucratief gelegen plekken gespeculeerd kan worden?

Uitgelicht: bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.