Vergadering van de “New Army Council” Putney 1647
EÉN DERDE VAN DE KIEZERS WIL NIET MEER MEE. WAT TE DOEN?
Peter Franssen
Ruim één derde van de stemgerechtigden is niet komen opdagen voor de gemeenteraadsverkiezingen. Op een Facebook-pagina lees ik: “Wat met onze democratie als mensen het gevoel hebben dat hun stem toch geen impact heeft?” Een terechte vraag, maar: vergissen die mensen zich, heeft hun stem dan wel impact op de besluitvorming?
Het heeft eeuwen strijd gekost voor het volk het stemrecht kon afdwingen.
In oktober-november 1647 vindt in het Engelse Putney een discussie plaats tussen vertegenwoordigers van soldaten en van hoge officieren. De soldaten willen volksvertegenwoordigers in het parlement via een forse uitbreiding van het stemrecht dat volgens hen niet langer gebonden mag zijn aan bezit. In die periode mag slechts 2 procent van de bevolking stemmen. De legerleiding repliceert dat zonder grondbezit geen stemrecht mogelijk is. Generaal Robert Iverton antwoordt op de verzuchtingen van de soldaten: “De taak van de overheid is het private eigendom te beschermen. Als u iedere man toestaat te kiezen, dan zal u het private eigendom vernietigen. De meeste mensen die u wilt laten stemmen, zullen dat soort vertegenwoordigers verkiezen die geen grondeigendom hebben. Waarom zouden zij het private eigendom willen bewaren?”1
Deze visie loopt als een rode draad door het eeuwenlange verzet van het establishment tegen het algemeen stemrecht. John Adams, een latere president van de Verenigde Staten, is één van de auteurs van de Amerikaanse grondwet waarvan gezegd wordt dat het de eerste democratische is in de geschiedenis. Tijdens het schrijven zegt Adams dat “politieke gelijkheid een ramp zou zijn”. Hij gaat verder: “Als iedereen stemrecht krijgt, zullen zij hun eigen schulden kwijtschelden, de rijken zwaar belasten, een gelijk aandeel in de rijkdom vragen en bij stemming goedkeuren.”2
In maart 1910 houdt lord Robert Cecil een toespraak in het parlement in Londen. Cecil is een topman van de Conservatieve Partij. Hij zegt: “Het algemeen enkelvoudig stemrecht houdt in dat de hele gemeenschap geregeerd zal worden door een onwetende menigte, waarvan een paar halfgeschoolde en sluwe opruiers het hoofd zijn. Kortom, dat de rijken alle belastingen zullen betalen en de armen alle wetten zullen maken.”3
Het moet gezegd: dit zijn allemaal openhartige opmerkingen. Je weet meteen dat het de taak van de staat is het eigendom van de rijkere klassen te beschermen. Waarmee de grenzen van de democratie vastgelegd zijn: die is enkel mogelijk zolang de aard en de inhoud ervan de privileges van de bezittende klassen niet bedreigen.
Waarom zou je het volk aan het woord laten?
Bart De Wever, N-VA-burgemeester en wellicht binnenkort premier, omschrijft de Britse filosoof Edmund Burke als “de sokkel van mijn politiek denken en doen”.4 Burke is een felle tegenstander van de idealen van de Franse revolutie van 1789. Hij schrijft een boekje over die omverwerping van de dictatuur van koning, adel en clerus. Hij laat ons weten hoe goed het wel was te leven in de periode voorafgaand aan de revolutie, toen “de oude ideeën en leefregels nog gerespecteerd werden”. De verdiensten van de adel en de clerus kunnen niet hoog genoeg ingeschat worden, aldus Burke. Het volk brengt alles om zeep, heel de wereld gaat verloren “onder de alles vertrappelende poten van die zwijnentroep”.5 De Wever zit op dezelfde golflengte maar bij hem zijn koning, adel en clerus vervangen door Romeinse keizers.
De lui die de top van de staatsmachine bezetten, gaat Burke verder, horen tot de tegenpool van het plebs en dat is de natuurlijke aristocratie. Hij schrijft: “De leden van de natuurlijke aristocratie brengen Gods wensen over naar de mens. Zonder natuurlijke aristocratie is er geen natie mogelijk.”6
Met andere woorden: we hebben een elite nodig die het zinvolle van de natuurlijke gang van zaken overbrengt aan het volk.
Die opvatting maakt nog altijd de kern uit van de burgerlijke parlementaire democratie. Bij een terugblik op de voorbije eeuw, schrijft Fareed Zakaria, een gezaghebbende stem van CNN en de Washington Post: “Gedurende een groot deel van de 20ste eeuw vormden professionals een soort moderne aristocratie, zeker van hun status en bezorgd over het welzijn en de bredere belangen van het land. Ondanks al het elitaire en de privileges die bij zo’n wereld horen, werd de Amerikaanse democratie goed gediend door elites met burgerzin.”7
Zakaria merkt niet eens dat hij elite, privileges en democratie in één en dezelfde zin gebruikt. Zou hij niet weten wat het woord democratie inhoudt?
De Wever verdedigt dezelfde opvattingen. De regering waar zijn partij deel van uitmaakt, beslist in 2019 de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken van 65 naar 67 jaar. Uit een brede enquête blijkt dat 75 procent van de bevolking daar niet mee gediend is. Tijdens een radio-interview repliceert De Wever: “Wat voor zin heeft het dat aan de mensen te vragen? Ge vraagt toch ook niet aan kalkoenen wat ze van kerstmis vinden?”8
Diezelfde week schrijft de Belgische Kamervoorzitter Siegfried Bracke in het parlementair magazine Woord Vooraf dat het “beter is dat de parlementsleden beslissingen nemen veeleer dan actiegroepen, middenvelders of burgers”.9 Kortom, het volk is dom en vatbaar voor collectieve eisen die niet in overeenstemming zijn met de diepe inzichten van de leidinggevenden. De democratie wordt gecreëerd door de elite, het volk heeft slechts te aanvaarden.

Het establishment heeft zo de strijd voor het algemeen stemrecht doen uitmonden in een opvatting en een praktijk over democratie als een passieve vorm van samenleven waarbij het enige actieve moment en het enige moment van meebeslissen op de dag van de verkiezingen valt.
Een echte democratie daarentegen is een proces dat aan de basis begint, in de dagelijkse praktijk. Voorbeelden daarvan zijn de vakbonden, de buurtcomités, de vredesorganisaties, de vrouwenbeweging, de jeugdhuizen, de milieubeweging, allerlei actiecomités … Geen van die basisorganisaties heeft in de parlementaire democratie enig beslissingsrecht. Ze moeten hun eisen en verzuchtingen telkens door actie bekend maken en afdwingen. Het parlement en de democratie waar zij voor staat, zijn in heel hun wezen vreemd aan het volk en aan wat aan de basis gebeurt.
In de jaren ‘90 vat de Europese Unie het plan op een eenheidsmunt in te voeren – de euro. De doelstelling impliceert dat de lidstaten verscheidene bevoegdheden afstaan aan Europa. Dat druist in tegen de grondwet van de nationale staten. In sommige landen moet die politiek daarom voorgelegd worden aan de bevolking in een referendum. Dat is niet naar de zin van de Europese leiders. Jean Monnet, de zogenoemde vader van Europa, zegt in zijn mémoires: “Ik vond het onjuist de volkeren van Europa te raadplegen over de structuur van een Gemeenschap waarmee zij geen enkele ervaring hadden.”10
Het Verdrag van Maastricht van de Europese Unie waarin de euro vastgelegd wordt, wordt in 1992 in verscheidene landen in een referendum weggestemd. In Nederland gebeurt dat met 69 procent van de stemmen. Toch passeert het verdrag. Bij latere fundamentele wijzigingen aan de bevoegdheden van de nationale staten ten voordele van de Europese Unie, weigert de overheid in de meeste landen een referendum te organiseren.
Parlement buitenspel gezet
Het volk moet dus zwijgen. Maar het mag wel om de vier of vijf jaar gaan stemmen. Dan duidt het zijn vertegenwoordigers aan die in het parlement, in naam van het volk, beslissingen treffen. Of toch niet?
Over Nederland schrijven hoogleraar Frank Ankersmit en bestuurskundig adviseur Leo Klinkers: “Het parlement is een zinloze overbodigheid geworden die de politieke realiteit eerder verhult dan verheldert en op de besluitvorming even weinig invloed heeft als een houtvuurtje op het klimaat.”11
De Nederlandse gewezen Kamervoorzitter Anne Vondeling drukt het zo uit: “Door de groeiende horigheid van het parlement jegens die andere macht, de regering, lijdt de Kamer aan functieverlies. Zij staat in de leegte.”12
De dag van de verkiezingen is het enige en unieke ogenblik dat het volk betrokken wordt bij de besluitvorming. Dan duidt het zijn vertegenwoordigers aan in het parlement, … dat subito presto buitenspel gezet wordt.
Er is niet alleen de groeiende horigheid aan de regering, zoals Anne Vondeling het uitdrukt. Sommige functies worden ook nog eens in alle stilte rechtstreeks of deels overgenomen door bedrijfsleiders en financiers.
In Nederland hebben de overkoepelende werkgeversorganisatie VNO-NCW, de Amerikaanse Kamer van Koophandel, zestig grote bedrijven, en de ministeries van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Financiën de Dutch Trade and Investment Board (DTIB) opgericht. De organisatie zegt van zichzelf een adviesorgaan voor het parlement te zijn. Maar uit de notulen van de vergaderingen van DTIB blijkt dat de leden toegang krijgen tot vertrouwelijke informatie over het lopende beleid en dat ze meebepalen hoe dit beleid er verder zal uitzien.13 Ministers, staatssecretarissen en directeurs-generaal van diverse departementen zitten aan tafel met de bedrijfsleiders van olie en gas gigant Shell, Rabobank, brouwer Heineken, verzekeraar Achmea, interim bedrijf Randstad, consultancy KPMG, om samen te beslissen over het economisch en financieel beleid.
Zoals de nationale parlementen, staat ook het Europees parlement er voor spek en bonen bij. De beslissingsmacht is in handen van de Europese Commissie, die je zou kunnen omschrijven als de regering van de Europese Unie.
De Nederlandse Euro-parlementsleden Pieter Omtzigt (CDA) en Renske Leijten (SP) hebben een krachtig manifest geschreven over het gebrek aan democratie in de Europese instellingen.14 Ze geven met concrete voorbeelden aan hoe het Europees parlement en de nationale parlementen buiten de beslissingen van de Europese Commissie gehouden worden. Ze beschrijven hoe de financiële maatregelen en de gigantische steun aan de banken sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2008 niet of nauwelijks voorgelegd worden aan het Europees parlement en de nationale parlementen. Ook al hebben die maatregelen een verregaande impact op de financiën van de lidstaten en dus op de bevolking.
Een ander voorbeeld is dat van de begroting van de Europese Unie zelf. De Europese Commissie jaagt ze aan zulk een ritme door het Europees parlement, dat het parlement, de nationale parlementen, noch de Europese burger ook maar de tijd krijgen ze eenvoudig te lezen. De begroting is nochtans een sleutelgegeven in de politiek van een staat of een unie. Het democratisch deficit in Europa staat gelijk met het monddood maken van bevolking en parlement, noteert de Duitse auteur Hans Magnus Enzensberger.15
Zelfs de hoogste politieke organen beslissen niet
De wortels van het democratisch deficit liggen in het feit dat zelfs de hoogste politieke organen niet bepalen wat er gebeurt. Dat doet de markt. De voormalige topman van het Internationaal Monetair Fonds, Michel Camdessus zegt: “De staat heeft geen orders te geven aan de banken.”16
Hij wordt bijgetreden door Hans Tietmeyer, die 15 jaar lang voorzitter van de Duitse Centrale Bank was. Tietmeyer zegt in Davos, voor een gehoor van rijken en machtigen: “Ik heb de indruk dat de meeste politici niet eens beseffen in welke mate zij vandaag onder de controle staan van de financiële markten en door die markten beheerst worden.”17
En dan heb je Alan Greenspan, de voorzitter van de Centrale Bank van de Verenigde Staten. Gevraagd in 2009 wie nu best president zou worden van de VS, George W. Bush of Barack Obama, antwoordt Greenspan: “Wij hebben het geluk dat de politieke besluiten in de Verenigde Staten grotendeels bepaald worden door de wereldwijde werking van de markt. Met uitzondering van het thema van de nationale veiligheid, speelt het geen rol wie de volgende president wordt. De wereld wordt geregeerd door de marktkrachten.”18
De marktkrachten waar de drie topbankiers het over hebben, zijn de krachten die werken binnen het kader van het kapitalisme. Onder die verhoudingen zeggen de marktkrachten altijd en overal dat de uitbuiting van de loonarbeid moet opgedreven worden, dat een radicale energiepolitiek om het milieu te redden een onbegonnen zaak is en dat het noodzakelijk is oorlog te voeren.
Politici en economen die de opvatting van het bankierstrio genegen zijn, noemen de marktkrachten een onzichtbare hand. Toch hebben de marktkrachten niets mythisch, ze zweven niet in een spel van clair-obscur ergens in het universum. Integendeel, ze zijn zeer concreet en precies en ze kiezen altijd dezelfde klasse en toplaag als begunstigden van hun functionering.
Politici vervangen door bankiers
De marktkrachten sturen mensen naar de politieke wereld die de functie van de politici overnemen. Een voorbeeld daarvan is FISMA. Dat is het directoraat-generaal van de Europese Commissie dat bevoegd is voor de financiële stabiliteit en de regelgeving van de banken en de financiële markten.19 Dit beleidsinstrument moet garanderen dat de banken de regels niet overtreden en dat er geen avonturen gebeuren zoals in de aanloop naar het uitbreken van de financiële crisis in 2008.
Wie leidt FISMA? Eén op de drie van de FISMA-topmensen komt rechtstreeks van de banksector of trekt daar naartoe nadat het werk bij FISMA gefikst is. Van de absolute top, de kaderleden met het niveau van directeur en hoger, verlaat 80 procent FISMA om voor de financiële sector te gaan werken. 92 procent van de beslissende vergaderingen van FISMA vindt plaats in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de banksector. 20 De supervisors, de vertegenwoordigers van de overheid die moeten beslissen over de regelgeving van de banken, staan grotendeels onder controle van die banken.
De parlementaire democratie is een fata morgana
In de economie is niet iedereen gelijk en wie werkt is afhankelijk van wie bezit. De resultante van die tegenstelling is onophoudelijke klassenstrijd: de werker wil zijn arbeidskracht zo duur mogelijk verkopen, de bezitter van de productiemiddelen wil zo veel mogelijk meerwaarde uit de arbeidskracht halen. Dat maakt een harmonieuze maatschappelijke eenheid onmogelijk. Zou deze werkelijkheid niet verdoezeld worden achter de parlementaire democratie, dan zouden de bezitters meer geweld moeten gebruiken om de ontevredenen in toom te houden.
Maar nu is daar de parlementaire democratie die aan iedere man en iedere vrouw een kiesstem geeft. Iedereen is gelijk en kan in dezelfde mate deelnemen aan de politieke macht. De parlementaire democratie schept zo het fata morgana van één natie, zonder onderscheid naar bezit en klassepositie, waar iedereen in dezelfde mate beslissingsrecht heeft. De bezittende klasse heeft het stemrecht, dat de werkende mensen oorspronkelijk zagen als een middel om deel te nemen aan het bestuur, kunnen ombouwen tot de ideologische illusie die verleidt tot de aanvaarding van de maatschappelijke toestand. Daarom is de parlementaire democratie voor de bezittende klasse de beste regeringsvorm.
Maar nu staan we voor het feit dat die parlementaire democratie zichzelf heeft uitgehold en zichzelf aan grote delen van de bevolking toont in haar echte gedaante, die van een fata morgana.
De vervreemding tussen het volk en het politiek staatsbestel verdiept zich sinds de crisis van het kapitalisme in het midden van de jaren ’70. De politieke elite is niet in staat oplossingen uit te werken voor de problemen. Dat geldt voor het milieu, het woonvraagstuk, de armoede, de problematiek van onderwijs en gezondheidszorg, maar ook voor Gaza en Libanon, voor de oorlogsdreiging nu de VS hun achteruitgang niet kunnen verkroppen. Verder beseft de elite niet dat ze zelf een tijdbom onder het politiek bestel gelegd heeft door ideologisch en economisch een ultra-liberale lijn op te leggen die flexibiliteit ten top drijft, onzekerheid creëert, de sociale verbanden vernietigt en de individuen isoleert.
De voorvrouw van Vooruit in Antwerpen, Kathleen Van Brempt, zei in een interview vlak voor de verkiezingen dat je als progressief wel verplicht bent met partijen als de N-VA samen te gaan, want anders kan je geen verandering afdwingen. Wie aan de kant blijft staan, kan niets realiseren, zei ze. Deze mythe herhaalt de sociaaldemocratie al twee eeuwen. Het afhaken van miljoenen kiezers afgelopen zondag toont daarentegen dat er maar één oplossing is voor de problemen en dat is de opbouw van nieuwe sociale verbanden van onder af. Alleen de organisatie van mensen zal zorgen voor verandering.
1. Woodhouse, Arthur. Puritanism and Liberty, Being the Army Debates 1647-1649. Chicago: University of Chicago Press, 1951, blz. 119.
2. Hacker, Jacob en Pierson, Paul. Let them Eat Tweets | How the Right Rules in an Age of Extreme Inequality. New York: Liveright Publishing, 2020, blz. 17.
3. Ziblatt, Daniel. Conservative Parties and the Birth of Democracy. Cambridge: Cambridge University Press, 2017, blz. 28.
4. Bart De Wever, ‘Filosofie leeft’, De Standaard, 16 augustus 2003.
5. Burke, Edmund. Reflections on the Revolution of France. Oxford: Oxford University Press, 1790, blz. 173.
6. Burke, Edmund. An Appeal from the New to the Old Wighs in Consequence of Some Late Discussions in Parliament Relative to the Reflections on the French Revolution. Londen: Dodsley, 1791, blz. 107-108.
7. Wolin, Sheldon S. Democracy Incorporated | Managed Democracy and the Specter of Inverted Totalitarianism.Princeton: Princeton University Press, 2017, blz. 174.
8. Interview Bart De Wever, Radio 1, De Ochtend, 24 april 2019.
9. Bert Bultinck, ‘Siegfried’, Knack, 24 april 2019, blz. 3.
10. Featherstone, Kevin. ‘Jean Monnet and the ‘Democratic Deficit’ in the EU.’ Journal of Common Market Studies, 1994, nr. 2, blz. 159.
11. Marcel ten Hooven, ‘De onmacht van het parlement’, Vrij Nederland, 25 november 2006.
12. Marcel ten Hooven, idem.
13. Bas van Beek, Alexander Beunder en Jilles Mast, ‘Deze club heeft al dertien jaar invloed op ons economisch beleid (en toch kent niemand hem)’, Follow the Money, 5 mei 2018.
14. Pieter Omtzigt (CDA, EPP) en Renske Leijten (SP, GUE-NGL), ‘Opening up closed doors, Paper from the Dutch COSAC delegation to be presented at the COSAC panel Bringing Europe closer to its citizens’, Tallinn, 26-28 november 2017.
15. Enzensberger, Hans Magnus. Brussels, the Gentle Monster or the Disenfranchisement of Europe. Londen: Seagull, 2011, blz. 59.
16. Galeano, Eduardo. Patas Arriba | La Escuella Dell Mundo All Revés. Madrid: Siglo XXI de Espana, 1998, blz. 91.
17. Thielemann, Ulrich. ‘Das Ende der Demokratie.’ Wirtschafsdienst – Zeitschrift für Wirtschaftspolitik, 2011, nr. 11, blz. 820.
18. ‘Interview mit Alan Greenspan, Ich bin im falschen Jahrhundert geboren‘, Tages-Anzeiger, 19 september 2007.
19. Voluit: Directorate‑General for Financial Stability, Financial Services and Capital Markets Union.
20. Yiorgos Vassalos, Financial regulators and the private sector: permanent revolving door at DG FISMA, Corporate Europe Observatory, 11 april 2018.
AUTEUR
Peter Franssen is een journalist op rust. Hij werkte 30 jaar voor het weekblad Solidair. Hij heeft ook enkele boeken op zijn naam staan zoals Het Geld van de CVP en 11 September
BRON
Salon van Sisyphus – 19 oktober 2024
Uitgelichte afbeelding uit het oorspronkelijk artikel