Exact twee jaar geleden werd onderstaand interview gepubliceerd en zie het nu min of meer per toeval voor het eerst. Onze band ontstond op internet door het op de korrel nemen van regelrecht fascistisch gespuis dat als stemvee diende voor Leider Wilders. Vele nachtelijke telefoongesprekken voerden we, hij vanuit z’n geliefde Portugal, ik uit Maastricht. Eenmaal hebben we elkaar hier ontmoet. Mijn herinneringen aan hem zijn blijvend, voor zijn hulp en inzet zeer dankbaar.
Een levensloop…
THEO IS ‘DE OORLOGSBASTAARD VAN EEN BEVRIJDER’ EN DAT VORMDE ZIJN LEVEN
Machiel Rebergen
Theo Douma kwam er als vroege tiener achter dat hij ‘een geadopteerd bastaardkind’ was. Voor zijn biologische moeder voelde hij weinig emotie. Maar het gemis van zijn onbekende vader, een Canadese soldaat die Nederland hielp bevrijden in 1945, speelt juist een hoofdrol in zijn leven. “Wij onwettige kinderen zijn met tigduizenden, en we zijn altijd weggemoffeld.”
Theo Douma is anders gebakken dan ‘normale’ mensen. Hij weet het van zichzelf. En hij schept er – je ziet het aan het schelmachtige lachje op zijn lippen – stiekem ook wel genoegen in.
Hij is alweer 77, maar kijk hem een poosje in zijn ogen en je ziet nog altijd de brutale, eigengereide en zelfverzekerde jongeman die hij geweest moet zijn. Een geboren rebel die zijn eigen pad koos in het leven; een pad dat hij zelf baande. Want de gebaande weg was niks voor hem. Te aangeharkt, te burgerlijk. “Ik ben nooit zo goed geweest met keurige mensen en keurige manieren”, zegt hij. “Ik ben altijd een man van de rafelrandjes geweest.”

Opgekruld in de hoek van zijn rode leren bank ligt, bijna als een bewijs voor die typering, zijn hond Gekko: “Hij is bang, want hij is vroeger geslagen. Nu zorg ik voor hem.”
‘Het gemis heeft me gevormd’
Theo weet ook wel hoe het komt dat hij zo is: dit is het lot van de bastaard, van het onwettige kind dat leeft met het grote gemis van een onbekende vader. “Hij was een obsessie voor me.”
Dat woord, bastaard (een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk), neemt hij meerdere keren in de mond. Het is niet beladen voor hem. Geen bron van schaamte ook, noch van woede. Misschien eerder het tegenovergestelde: “Ik heb er ook veel aan te danken. Als ik normaal geboren was, had ik waarschijnlijk een heel saai leven gehad. Gelukkig ben ik geen normaal mens. Het gemis heeft me gevormd, en daar ben ik dankbaar voor.”
Maar, zegt hij er meteen bij: zo is het lang niet alle ‘oorlogsbastaarden’ vergaan. “Velen zijn er juist door gekapseisd. We zijn altijd weggemoffeld, maar we zijn een deel van de Nederlandse geschiedenis, daarom vind ik het belangrijk om dit verhaal te vertellen.”
Een jonge Canadese soldaat was hij, Dewey Doyle. Hij moet, dat heeft Deweys (wel wettige) dochter Liz veel later aan Theo verteld, in 1944 of 1945 met de geallieerde troepen aan land zijn gekomen in Italië. Rond de zomer van 1945 kwam hij in Leeuwarden terecht, waar zijn regiment de pas veroverde vrede bewaakte. Er waren feesten in theatergebouw Zalen Schaaf, dat nog altijd bestaat. De bevrijders hadden het als hun basis ingenomen. Op zo’n feest ontmoette hij de jonge Vronie Erich, 16 jaar jong, uit Leeuwarden. “Het was meteen raak. Ze was gelijk zwanger”, zegt Theo.
Er lag een Canadees in de berm
“Mijn biologische moeder kwam uit een orthodox rooms-katholiek gezin. Niemand mocht van de schande weten, ze werd weggemoffeld in een klooster in Drachten.”
Na het interview stuurt Theo een linkje uit de Volkskrant, naar een artikel waarin journalist en nazi-jager Jack Kooistra terugkijkt op de bevrijding, ín Leeuwarden. Kooistra zegt daarin: “Nu reden de Canadezen ons dorp binnen. Achteraan liepen militairen met een fles drank aan hun mond. Stomdronken. Later zag ik een Canadees in de berm liggen, aan het neuken met een 16-jarig meisje uit mijn klas. ‘Zijn dit onze bevrijders?’, vroeg ik me af.”
Of dit meisje de moeder van Theo kan zijn geweest, is niet bekend, maar het zegt iets over de sfeer in de stad in die dagen.
Zeventien jaar was zij, toen ze op zondag 11 augustus 1946 Theodorus Maria Erich op de wereld zette. Nog diezelfde avond was zijn naam Theo Douma.
Theo spreekt lovende woorden over zijn (adoptie)ouders Tjerk en Marie Douma: “Ze namen me in huis uit naastenliefde. Ze hadden een dochter, een ander kind was overleden. Na mij kwamen er nog twee dochters en een zoon.”
Hij hoorde er volwaardig bij, ze behandelden hem zelfs als het lievelingetje. Het gezin was arm, zegt Theo, en bijzonder gelovig, maar ze waren zorgzaam en liefdevol.
Theo moest zijn eigen weg gaan
Later bleek dat de Douma’s zijn biologische moeder zelfs een baantje als huishoudster hadden gegeven, zodat ze tijd kon doorbrengen met de zoon die ze had moeten afstaan. “Dat heb ik altijd heel bijzonder gevonden”, zegt hij. Theo herinnert zich haar overigens niet van die tijd, daarvoor was hij nog te klein.
Rond zijn dertiende werd de rebel in hem wakker. Het ging vanzelf, iets met volwassen worden, de puberteit, je eigen identiteit ontwikkelen. Eerst liet hij weten dat het geloof toch niets voor hem was. Hij zou voortaan niet meer meegaan naar de kerk. “Dat was wat. Maar ik voelde dat ik het moest doen. Ik moest mijn eigen weg gaan.”
Hij vermoedde toen nog niets, al was er één vreemd dingetje: de huisarts riep hem telkens om met een verkeerde naam. “Dan kwam zijn stem krakerig door de intercom, en riep hij ene Tom Erich op. Terwijl ik toch de enige in de wachtkamer was. Maar ik heb nooit gevraagd: wat zeg je nou steeds? Als kind vraag je niet door.”
Veertien was hij, toen zijn ouders hem vertelden ‘hoe de vork in de steel zat’. Hij bleek zijn biologische moeder te kennen. “Ze had een groentewinkel in de buurt, ik werd daar weleens naartoe gestuurd voor aardappels. Zij was intussen getrouwd en had met haar man nog zes kinderen gekregen.”
Geen verwijten, maar ook geen liefde
Maar Theo heeft – ook hier draait hij niet omheen – nooit liefdevolle gevoelens voor haar gehad. “Ik kan niet verklaren waarom dat zo is, maar het is zo. Het is geen haat, geen boosheid. Ik verwijt haar helemaal niets. Maar ik kan het niet mooier maken dan het is: ik voelde geen liefde voor haar.”
Schuldig voelt hij zich er niet over, zegt hij desgevraagd. “Ik voel hooguit medelijden, omdat ik weet dat ze echt wel van me hield.”
Haar ouders daarentegen, en dan vooral haar moeder, die verwijt hij wel iets: “Een secreet, een vreselijk wijf. Toen het geheim bekend was, werd ik geacht geregeld met mijn biologische moeder en haar familie contact te hebben. Die vrouw had na mijn geboorte met de pastoor bekokstoofd dat ik moest verdwijnen. Nu probeerde ze haar schuldgevoel af te kopen door mij 2,50 gulden in mijn handen te drukken. Ik heb bijna nergens spijt van in het leven, maar dit kan ik mezelf moeilijk vergeven: dat ik dat bloedgeld een paar keer heb aangenomen. Verwerpelijk.”
Hoe Theo een tiran werd
Theo reageerde nogal slecht op het nieuws van zijn afkomst, al weet hij zelf niet precies waarom. “Wat weet je van psychologische processen? Blijkbaar wist ik me op die leeftijd geen raad met deze boodschap. Ik werd een tiran. Een wandelende bermbom. Vreselijk, echt vreselijk. Geen fysiek geweld hoor, maar wel verbaal heel gemeen. Steeds maar afreageren. Het hele gezin heeft onder mij geleden in die periode.”
Hij heeft in die tijd ook nog weleens aan de rand van een kanaal gestaan. Terwijl hij niet kan zwemmen. “Ik herinner me dat ik het te koud vond om erin te springen.”

De relatie met zijn broer en zussen in het gezin Douma veranderde sindsdien. “Je merkte steeds meer dat ik toch anders ben. Die rafelrandjes weer, hè?”
Om zijn eigen identiteit te kunnen ontwikkelen moest hij breken met zijn biologische moeder en haar familie, voelde hij. “Die hele aanhang verhinderde een nieuwe start. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden, en dat kon niet met al die mensen in mijn leven. Ik heb die banden verbroken. Er was geen andere weg.”
Getrouwd met en gescheiden van zijn beste maatje
Hij heeft haar nooit meer bezocht en is, toen ze ongeveer 30 jaar geleden overleed, ook niet op haar begrafenis geweest.
Theo trouwde vroeg, toen hij 19 was, met Yteke. “Té vroeg, achteraf. Maar ze is nog altijd mijn beste maatje.” Ze woont in Whitehorse nu, in Canada bij de grens met Alaska, in ’the middle of nowhere’. Theo bezoekt haar af en toe, samen kijken ze dan naar springende zalmen in de rivier.
Een tweede huwelijk hield 28 jaar stand, maar bleek ook niet voor de eeuwigheid. Nu is hij vrijgezel en ‘volmaakt gelukkig’ met zijn appartementje in Leeuwarden, zijn asbakken en zijn filtersigaretten, waarvan hij de filter afbreekt voordat hij ze opsteekt. En natuurlijk met zijn angstige hond Gekko.
Op zakelijk gebied ging het hem voor de wind. Hij is opgeleid als logisticus, en daar bleken veel goedbetaalde banen in te vinden. Hij richtte daarnaast meerdere bedrijven op. In Leeuwarden werd hij een bekend figuur. Hij was er eigenaar van restaurant De Koperen Tuin en meer horecabedrijven.
Altijd maar de beste willen zijn
Theo was ook lang politiek actief voor de lokale PvdA-afdeling, waarvoor hij in 2017 nog VVD-coryfee Hans Wiegel bereid vond om op camera op ludieke wijze zijn steun uit de spreken voor de lokale PvdA-lijsttrekker. Tussendoor toverde hij ook nog de plaatselijke watertoren, die hij voor 1 gulden gekocht had, om tot negen luxeappartementen.
“Ik heb me bijkans kapot gewerkt, me in een eenpersoons-ratrace gestort. Daar zit een soort bewijsdrang achter, ja, natuurlijk. Altijd willen slagen, altijd de beste willen zijn. Een psycholoog zou daar vast wel iets over te zeggen hebben.”
En altijd was Dewey Doyle in zijn gedachten, als een rode draad door zijn leven. Het eeuwige gemis, zijn obsessie.
Zijn biologische moeder had hem drie dingen verteld: de naam Dewey Doyle, dat hij ijshockey speelde als hobby, en dat zijn vader bankdirecteur was in Halifax, een Canadese stad in het uiterste zuidoosten van Canada bij de noordoostelijke grens van Amerika.
Het feitje over de bankdirecteur bleek een leugentje, de andere twee feiten klopten wel. “Het moet rond 1970 geweest zijn toen ik las dat Canadese bevrijders naar Amsterdam kwamen voor een ijshockeywedstrijd”, zegt Theo. “Ik heb alle hotels in Amsterdam afgebeld, tot er eentje een gast had met deze naam.”
‘Ik raakte in paniek, zakte door mijn hoeven’
De volgende dag stonden ze oog in oog… alleen was het niet zijn vader. “Maar deze man had wél gehoord over een naamgenoot die iets verderop woonde, in Charlottetown op Prince Edward Island, en hij wist ook dat daar een Nederlandse priester zat.”
Theo belde de priester: deze Dewey Doyle woonde inderdaad in de buurt, maar Theo moest snel komen, want de man was erg ziek. “Ik raakte in paniek”, zegt Theo. “Ik bevroor, zakte door mijn hoeven.”
En dan, stilletjes en tegen zichzelf: “Lul die je bent.”
Zijn stem stokt, zijn ademhaling ook. Theo’s oogleden lopen vol maar stromen net niet over.Een paar weken later had hij genoeg moed verzameld om een vliegticket te kopen. Hij belde de priester dat hij eraan kwam. Maar het was te laat. “Eeuwig zonde. Maar ik ben wel gegaan, en ik heb daar mijn halfzusje Liz leren kennen. Prachtig mens. Een gelijkgestemde. We spreken elkaar wekelijks. Daar ben ik heel gelukkig mee.”
‘Jij bent een zoon van Dewey’
Liz nam hem mee naar een oudere zus van Dewey. Zijn komst was niet aangekondigd, benadrukt Theo. “Die oude vrouw staat in de deuropening en het eerste dat ze tegen me zegt: ‘Jij bent een zoon van Dewey’. Ze zag het gelijk. Een van de mooiste momenten in mijn leven.”
Verder wist Liz hem te vertellen dan hun vader een groot liefhebber van vrouwen was. Er waren kinderen bij een andere vrouw in Canada, en dus ook bij de moeder van Liz, en ‘ongetwijfeld nog meer’ bij andere vrouwen. “In Italië misschien ook wel. Misschien heb ik zelfs hier in Leeuwarden nog wat halfbroers of halfzussen rondlopen.”

DNA-onderzoek is er nooit van gekomen. Hij speelt weleens met de gedachte, maar ach, hij weet het zeker. Alle puzzelstukjes passen. Geen twijfel. Hij heeft zijn vader gevonden, en zijn halfzusje. Dat moet genoeg zijn.
‘We worden nooit genoemd, maar we bestaan’
Theo deelt zijn verhaal niet alleen voor zichzelf, benadrukt hij. “We zijn met velen. Wij onwettige kinderen zijn met tigduizenden. We zijn altijd weggemoffeld. Ik ben daar zelf toevallig sterker uit gekomen, maar er zijn er veel die er altijd mee blijven worstelen. Nederland moet weten dat we bestaan, dat we er zijn. Het is een stuk van onze geschiedenis. Bij de herdenkingen van de oorlog worden we nooit genoemd. Maar we bestaan. We lopen dan wel tegen het einde van ons leven, maar we bestaan.”
BRON
RTL Zondaginterview – 10 december 2023
Foto’s: © Laurens Aaij – bron