Verovering van Constantinopel door kruisvaarders (1204)
Een recensie van het boek van Arabist Hans Jansen: “Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden!”, oorspronkelijk verschenen op de site “les Clochards”.
1
In het maatschappelijke debat speelt momenteel een groep mensen een rol die meent dat de islam zich niet goed verhoudt met de moderne, seculiere, democratische rechtsstaat. De islam vormt daar een bedreiging voor en dient dus in de politieke praktijk eerder bestreden dan verwelkomd te worden. Oorzaak van die (be)dreiging is de veronderstelling dat moslims de leerstellingen van de islam aangaande het maatschappelijke verkeer overnemen en die stroken niet met democratische en moderne waarden.
Een dergelijke benadering van een godsdienst en zijn aanhangers staat bekend als ‘essentialistisch’, omdat de godsdienst gezien wordt als iets wat van zichzelf een ‘essentie’ heeft, een ‘wezen’ dat door de aanhangers wordt aan- of overgenomen en verinnerlijkt en dat daarbij niet ‘wezenlijk’ verandert. De ‘aangenomen’ godsdienst heeft daarmee bijna een soort bestaanswijze buiten de gelovigen om en geldt als ‘wezenlijk’ onveranderlijk. Veranderingen zijn vanuit essentialistisch perspectief slechts schijn, of hoogstens veranderingen in verschijningsvorm.
Het tegenoverliggende standpunt gaat ervan uit dat de aanduiding van deze of gene godsdienst niet veel meer is dan een containerbegrip, waarmee snel en efficient, maar weinig nauwkeurig, het (denk)gedrag wordt aangeduid van hen die zich uitgeven voor gelovige. Met de veranderingen in gedrag van de gelovigen, verandert dus ook de inhoud van het begrip en voorzichtigheid is dan ook geboden bij het gebruik ervan. Het zal duidelijk zijn dat dit tegenoverliggende standpunt veel minder moeite heeft met veranderingen in een godsdienst. Tussenposities zijn uiteraard denkbaar.
Wie aan het hierboven geschetste, essentialistische standpunt inzake de islam politieke gevolgen wil geven, heeft een probleem. Niet alleen hebben godsdiensten zich nog nooit gedragen volgens het essentialistische gedachtengoed, het is ook in tegenspraak met moderne inzichten uit de psychologie, met name de fundamentele attributiefout, en de geschiedkunde. Psychologische bezwaren tegen essentialistische ideeën zijn nog geen onderdeel van het publieke debat over deze kwestie, historische des te meer.
Ten aanzien van de islam spelen een aantal essentialistische gedachten in het politieke debat een rol: de islam zou uit zijn op het ‘overnemen’ van de gehele wereld, het bekeren van alle mensen dan wel het onderwerpen van andersgelovigen. Scheiding van kerk en staat en allerlei burgerlijke vrijheden zijn geen onderdeel van de islamitische geloofsleer en de cultuur die uit de islam is voortgekomen, dan wel de cultuur die de islam is, loopt ernstig achter bij de westerse en wel om redenen die inherent zijn aan de islam zelf.
Historische gegevens die erop lijken te duiden dat deze gedachten wellicht niet kloppen, moeten voor essentialisten op de één of andere manier opzij gezet kunnen worden. Het is in deze context dat het nieuwste boek van Hans Jansen (de Arabist), Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden! een rol speelt.
2
Het boek handelt over de kruistochten en zet het beeld dat de meeste Europeanen daarover hebben op zijn kop. Heel kort door de bocht geformuleerd komt dat beeld op de volgende drie punten neer.
- De motivatie voor de kruisvaarders om op kruistocht te gaan was eerder ingegeven door landhonger en haat jegens de moslims, dan door religieuze motieven.
- De kruisvaarders hebben zich tijdens de kruistochten -bezien vanuit hun eigen religie- zwaar misdragen, in tegenstelling tot veel islamitische veldheren, vooral Saladin, die inmiddels ook in het westen een reputatie van ridderlijkheid hebben verworven.
- De kruisvaarders kwamen uit een cultuur die ernstig achterliep bij de islamitische en die dan ook heel veel kennis, wetenschap en techniek heeft overgenomen.
Jansen draait dat allemaal om. In zijn ogen bevochten de kruisvaarders de moslims om maar één doel: ervoor zorgen dat Europese Christenen veilig en ongestoord op pelgrimage konden naar Jeruzalem. Pelgrimeren valt in zijn optiek onder de vrijheid van godsdienst en de kruisvaarders waren dus eigenlijk eerder voorvechters van één van de moderne burgerlijke vrijheden. Bovendien hebben de kruisvaarders zo de islamitische expansie zo’n twee eeuwen tegengehouden en Europa de gelegenheid geboden zich verder te ontwikkelen tot wat het nu is.
Daarbij gedroegen ze zich niet meer of minder wreed dan destijds gebruikelijk was, dit in tegenstelling tot islamitische ‘krijgsheren’ (Jansen gebruikt het woord consequent) die slechts gedreven werden door de jihad, de ideologie van de heilige oorlog, en zich regelmatig bezondigden aan bloedbaden. In dat verband wijst Jansen op het verschil in scope van kruistocht en jihad: de kruistochten waren slechts op het Heilig Land gericht, jihad op de hele wereld.
Tenslotte meent Jansen dat de westerse cultuur helemaal niets van de islamitische heeft overgenomen, omdat ook ten tijde van de kruistochten het westen al voorliep op de islam. Dit punt komt niet helemaal goed uit de verf omdat Jansen zichzelf hier en daar tegenspreekt. Zo noemt hij wel voorbeelden van zaken die de kruisvaarders wel overnamen, zoals het getal nul (uitgevonden door de Hindoes, dus dat telt niet) en veel kennis over het Grieks (maar dat kwam van Christenen in het Midden-Oosten en van voor de moslims gevluchte geleerden en telt dus ook niet).
Jansen laat bij de argumentatie van die punten enorme steken vallen. Steken die zo groot zijn, dat ze eigenlijk alleen voorbeeldsgewijs kunnen worden behandeld in een blogpost. Een uitputtende behandeling van het grote aantal fouten in zijn boek zou een weer heel boek beslaan. Enkele voorbeelden dus.
Dat de kruisvaarders slechts de veilige pelgrimage naar Jeruzalem voor ogen stond wordt door Jansen beargumenteerd met de toespraak waarmee paus Urbanus II opriep tot de Eerste Kruistocht. Daarin geeft hij die veilige pelgrimage aan als reden. Dat blijkt inderdaad als je de verschillende versies die van die toespraak zijn overgeleverd met elkaar vergelijkt. Moderne historici willen nog wel eens wijzen op het grote aantal militaire conflicten in Europa rond die tijd en op de mogelijkheid dat de paus heeft willen proberen dat probleem in te dammen door de vele combattanten ergens anders heen te sturen.
Jansen wuift dat weg met het argument dat dit slechts speculaties zijn van historici en dat het verstandiger is ‘bij de feiten te blijven’. Op dit punt wordt Jansen ronduit onvriendelijk door historici te verwijten van de kruistochten een verhaal te hebben gemaakt dat eerder op speculaties dan op feiten gebaseerd is, en dat die feiten soms ronduit tegenspreekt. Het is in dit soort passages dat Jansen smijt met kretologie als ‘de linkse kerk’.
Maar Jansens liefde voor de feiten is ook niet bijster groot. Zo negeert hij één van de de oudste versies die we kennen van Urbanus’ toespraak, vermoedelijk opgetekend door een ooggetuige. Driekwart van die tekst gaat over het probleem van het grote aantal krijgshandelingen in Europa en de vraag of al die ridders en andere hooligans niet beter ergens anders ingezet kunnen worden.
Ook negeert hij het feit dat de kerk voorafgaand aan de kruistochten de zogenaamde ‘godsvredebeweging’ had opgezet, die als doel had het grote aantal krijgshandelingen te verminderen. Dat project is totaal mislukt en het ligt dan ook voor de hand om te stellen dat de kruistochten mede tot doel hadden te slagen waar de godsvredebeweging had gefaald.
Iets vergelijkbaars gebeurt bij het idee dat de kruisvaarders eigenlijk vooral uit waren op het veroveren van land, en dus helemaal niet zo religieus gemotiveerd waren. In de meest courante literatuur wordt daarop gewezen, bijvoorbeeld wanneer Boudewijn van Boulogne tijdens de Eerste Kruistocht in het huidige Oost Turkije een aanzienlijk grondgebied verwerft, het kruisvaardersstaatje Edessa, en daar ook blijft als de rest van de kruistocht doortrekt naar Jeruzalem.
Jansen constateert dat Edessa later van groot belang is geweest voor het koninkrijk Jeruzalem en oppert in de vorm van een vraag de mogelijkheid of Boudewijn wellicht groot strategisch inzicht had. In wezen beweert Jansen dus niets, hij stelt alleen een vraag, maar de suggestie is gewekt dat moderne historici het mis hebben. Dat doet hij vaker in zijn boek.
Jansen laat weg dat Boudewijn tevoren in Europa door familieomstandigheden al zijn aanspraken op land was kwijtgeraakt, en ook dat de heren edellieden in en rond het huidige Oost-Turkije bijna twee jaar lang naast het bestrijden van de Turken ook bezig zijn geweest vooral elkaar de tent uit te vechten bij het innemen van diverse steden. Er is één geval bekend waarbij als gevolg van zo’n conflict een compagnie van 500 nieuw aangekomen kruisridders werd opgeofferd aan de Turken.
Dat de kruisvaarders na de inname van Antiochie er bijna een jaar over deden om in Jeruzalem terecht te komen, waar dat normaal gesproken slechts een maand kost, had te maken met zo’n conflict over land. Het waren de ‘gewone’ kruisvaarders die de edellieden tenslotte dwongen haast te maken. De ‘speculatie’ van moderne historici kan dus heel goed worden onderbouwd met feiten.
3
In die laatste bijdrage betoogde ik dat Jansen feiten weglaat of negeert.
Dat hij dat doet is ook goed te zien in zijn behandeling van de nasleep van de inname van Jeruzalem door Saladin in 1187. In het standaard verhaal wordt er altijd de nadruk op gelegd dat daarbij geen bloed vergoten is: Saladin en de verdediger van Jeruzalem -Balian van Ibelin- kwamen de voorwaarden voor overgave overeen tijdens harde onderhandelingen en Saladin hield zich stipt aan die voorwaarden zodat de inwoners van Jeruzalem en vrije aftocht hadden. Dit vormde een groot contrast met de inname van Jeruzalem door de kruisvaarders, in 1099, waarbij de gehele bevolking van Jeruzalem over de kling werd gejaagd.
Jansen benadrukt dat er inwoners van Jeruzalem waren die het overeengekomen losgeld niet konden betalen. Deze mensen zijn door Saladin tot slaaf gemaakt en verkocht. Hiermee wil Jansen Saladin wegzetten als ‘krijgsheer’ die op geen enkele wijze de nobele reputatie verdient die hij in de westerse geschiedschrijving heeft gekregen.
Het feit klopt, maar hij verzuimt erbij te vertellen dat de tussen Balian en Saladin overeengekomen losprijs ruim voldoende was om de gehele bevolking van Jeruzalem vrij te kopen. Het waren de rijke christenen die het vervolgens verdomden om voor hun armere geloofsgenoten te betalen, de bisschop van Jeruzalem voorop. Dat maakt Saladin natuurlijk niet meteen een heilige, maar het nuanceert het beeld dat Jansen neerzet aanzienlijk.
Voorbeelden als deze zijn er legio en ze wijzen allemaal dezelfde kant op: Jansen is een reeds vooraf ingenomen politiek standpunt ten aanzien van de islam aan het beredeneren. Dat leidt tot opvallende datamassage in zijn boek.
Op blz 290 beweert hij doodleuk dat de islamitische wereld tot 1174 geen ziekenhuizen kende en dat instituut waarschijnlijk van de kruisridders heeft afgekeken, terwijl ziekenhuizen uit de islamitische wereld al vanaf de negende eeuw bekend zijn Tegelijkertijd beweert Jansen dat de islam niets van de kruisvaarders overnam omdat deze zichzelf als superieur zag.
In een poging aan te tonen dat de westerse cultuur destijds al superieur was aan de islamitische, wijst Jansen een aantal zaken aan waaruit die gevolgtrekking helemaal niet blijkt. Dat Alexandrië in 1365 in één dag kon worden ingenomen (blz. 188), wijst helemaal niet op superioriteit van de Europese militairen, hoogstens op hoe onverwacht ze er aankwamen.
Dat Saladin zijn wapens soms bij Europese handelaren kon inkopen (blz. 288), zegt net zo weinig over de superioriteit van de Europese cultuur als de verkoop van buskruit en kanonskogels door Hollandse kooplieden aan de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige oorlog iets zegt over de superioriteit van de Hollandse cultuur.
Dat je met een kruisboog met minder oefening veel preciezer kunt schieten wijst hoogstens op een aantal voordelen van dat wapen. De Turken hadden er niets aan (een kruisboog schiet veel te langzaam en is onbruikbaar op een paard) en namen hem dus niet over. Dat zegt niets over islamitische superioriteitsgevoelens (blz. 289).
Grappig genoeg is er één ding dat de islamitische cultuur eigenlijk wel had moeten overnemen van de kruisvaarders: stabiele staatsstructuren en gegarandeerde rechten. Al tijdens de kruistochten viel het een islamitische schrijver op dat rechten in kruisvaardersstaten weliswaar ongelijk waren, maar wel gegarandeerd, dit in tegenstelling tot islamitische staten, waar willekeur aan de orde van de dag was. Vooral troonsopvolgingen waren een ramp en ook hier presteerden kruisvaardersstaten een stuk beter.
Die observatie wordt niet door Jansen gedaan, maar door Amin Maalouf in zijn boek over de geschiedenis van de kruistochten volgens Arabische bronnen. Deze opmerking staat helemaal achterin het boek van Maalouf en hij trekt zijn conclusie tot aan de huidige dag door. Het overdragen van de macht in het Midden-Oosten is nu nog steeds een groot probleem. Dat had wellicht anders kunnen zijn als moslims beter naar de kruisvaarders hadden gekeken, aldus Maalouf.
Het boek van Maalouf wordt door Jansen vermeld in zijn bibliografie. Het is het enige boek in de bibliografie waar Jansen commentaar bij geeft: ‘dit boek slaat te pas en te onpas ten opzichte van westerlingen een neerbuigende toon aan’. Dat is nogal wiedes. Het betreft immers een geschiedenis van de kruisvaarders door de ogen van hun vijanden. Maaloufs neerbuigende toon haalt het trouwens niet bij Jansens neerbuigende toon over moslims, historici, politici en protestanten.
Maar dat Jansen Maaloufs observatie niet heeft overgenomen, terwijl deze hier beslist een veel sterker punt heeft als het neerkomt op de vraag ‘wie was er nu superieur’, geeft te denken. Misschien is het beneden Jansens stand om zoiets van een moslim over te nemen. Maar dat zou wat eigenaardig zijn als je zelf dat verwijt juist aan moslims maakt. Persoonlijk hou ik het er dan ook op dat Jansen het einde van Maaloufs boek niet gehaald heeft.
Dat zou betekenen dat Jansen zijn literatuur niet kent. Daar is meer over te zeggen en maandag sluit ik deze recensie dan ook af met enkele observaties over de door Jansen geraadpleegde literatuur.
4
In de laatste bijdrage betoogde ik dat Jansen niet alleen feiten negeert en weglaat, maar suggereerde ik ook dat hij zijn literatuur niet goed gelezen heeft. Over dat punt is iets meer te zeggen.
Aan het begin van zijn boek geeft Jansen aan dat er al veel literatuur geschreven is over de kruistochten, door heel goede historici. In zijn allereerste noot vernoemde hij de Engelse historicus Asbridge, wiens werk Jansen kennelijk zo nauwgezet volgt, dat hij zich bij voorbaat excuseert voor de indruk van plagiaat. Persoonlijk viel me zoveel overeenkomst niet op trouwens. Elders in zijn boek wordt Asbridge door Jansen afgeschreven als serieus wetenschapper omdat hij in Londen werkt. Londen is in de ogen van Jansen een centrum van islamitische propaganda en Asbridge zal zijn boek uit voorzichtigheid wel hebben ‘aangepast’. Jansen zegt dat laatste niet letterlijk, hij suggereert het alleen maar, zoals zo vaak in zijn boek.
Uit Jansens notenapparaat blijkt dat hij zich voornamelijk op drie boeken baseert. Christopher Tyermans Gods’ War: A new history of the Crusades; Rodney Starks God’s Battalions: The Case for the Crusades en Robert Spencers The Politically Incorrect Guide to Islam (and the Crusades). Uit Rodney Stark geeft Jansen hele -en wetenschappelijk vederlichte- verhandelingen weer over de aard en het karakter van godsdienstig gedrag en de moderne seculiere visie daarop. Daarnaast bevat zijn bibliografie ook meer courante titels, zoals de eerder genoemde Asbridge, de klassieker van Runciman en Amin Maalouf. Maar omvangrijk is zijn bibliografie niet en naar de courantere literatuur wordt lang zo vaak niet verwezen in de noten.
Daarnaast stikt het boek van de slordigheden. De tekst wemelt van de niet-lopende zinnen en zetfouten. De Libanese kustplaats Tyrus wordt consequent aangeduid met ‘Tyre’, de Engelse naam, en op blz 102 verwart Jansen Guy de Lusignan met Raymond III van Tripoli -zoiets als Jolande Sap verwarren met Geert Wilders.
Het lijkt allemaal te wijzen op een niet-historicus die ten behoeve van de standpunten van de eigen club ‘even’ in de geschiedenisboeken is gedoken en in relatieve haast zijn eigen verherinterpretatie van wat hij zo gauw gevonden heeft aan het papier heeft toevertrouwd. Dat ging makkelijk want het doel stond al voor ogen en het moet gezegd: Jansen schrijft goed, met een superieur gevoel voor humor.
Maar het gevolg van die aanpak is een betoog waarin de vooropgezette meningen van de schrijver, of diens doelgroep, nadrukkelijker naar voren komen dan het verhaal zelf. Het bekende spreekwoord ‘sommige mensen denken dat ze denken wanneer ze hun vooroordelen rangschikken’ lijkt hier bijzonder goed van toepassing. Dat wordt wel heel erg duidelijk in de passage waarin Jansen probeert de stagnatie van de wetenschap in de islamitische wereld te verklaren door te verwijzen naar de sharia, volgens welke het geloof in causaliteit feitelijk geloofsafval betekent. Geen moslim die van zijn geloof af wil vallen -daar staat de doodstraf op- dus geen interesse in causaliteit en dus ook geen wetenschappelijke ontwikkeling.
Een simpeler model om het gedrag van mensen die zich moslim noemen te verklaren bestaat haast niet. In werkelijkheid zal geen moslim zich iets gelegen laten liggen aan de meningen van hoogacademische schriftgeleerden inzake de precieze status van oorzaak en gevolg in het universum versus de almacht van God. Evenmin zal een islamitisch veldheer voor hij zijn tactisch plan maakt in de islamitische variant van de catechismus kijken of hij het allemaal wel goed aanpakt. Het komt er kort gezegd op neer dat als je wilt weten hoe een katholiek zich gedraagt, je dat kunt navragen bij oudere, vrijgezelle mannen in één bepaalde wijk van de hoofdstad van Italië.
Toch moet je -in Jansens ogen- als eerste in shariahandboeken kijken omdat daar nauwkeurig in beschreven staat hoe een moslim zich dient te gedragen. Wie dat niet doet, mist volgens hem een belangrijk deel van het plaatje van de kruistochten. Bij herhaling valt in zijn boek dan ook te lezen dat de handelwijze van deze of gene moslimbestuurder overeenkomt met de voorschriften in de sharia. Zo suggereert hij dat het de sharia is die die handelwijze heeft ingefluisterd, zonder het -wederom- expliciet te beweren.
In werkelijkheid is het leven sterker dan de leer -zoals het katholieke gezegde luidt- en volgt de pastorale praktijk -waaronder shariahandboeken- de werkelijkheid eerder dan andersom.
Jansen past zijn sharia-principe bovendien op een buitengewoon onhistorische manier toe. Het enige shariahandboek dat hij citeert is geschreven in 1994. Toen waren de kruistochten toch echt voorbij. Het enige andere handboek dat hij noemt, is pas na de kruistochten geschreven. Zelfs een niet-historicus zal dan de vraag verzinnen of wat in die boeken staat niet mede is gevormd door de ervaringen van moslims tijdens de periode van de kruistochten.
Jansen behandelt die voor de hand liggende tegenwerping nergens. Dat is niet uit onkunde, zelfs niet uit onwil. Voor Jansen staat zo onwrikbaar vast dat de islam en de sharia -om het cliché maar eens van stal te halen- een onveranderlijk monolithisch blok vormt, dat het niet eens nodig is die stelling te verantwoorden. Van dergelijke rotsvaste zekerheden heeft hij er meer. De opmerking als zou nadere verantwoording of onderbouwing van een bepaalde stelling slechts een belediging van de intelligentie van de lezer zijn, ben ik meermaals in zijn boek tegengekomen.
Zo is Jansens boek er gek genoeg één van een gelovige: de islam is een geloof dat voor een aantal vastomlijnde zaken staat, dat kun je nakijken in shariahandboeken en de koran en de geschiedenis van de islam is hieruit met een verbluffende helderheid te deduceren. Het is allemaal doodeenvoudig en logisch. Dalil-o manteq hoor ik de mullah roepen, alleen in dit geval is het de Arabist Jansen, die zelf een uitstekende illustratie vormt van één van zijn eigen grappen:
Toen kwam er een Arabist, die alles beter wist.
BRON
LES CLOCHARDS – juni 2016
Uitgelicht: bron
2 gedachten over “KRUISTOCHT”