Je cherche l’or du temps

Peter Cornelius



har verkooyen


Het Cimetière des Batignolles ligt een minuut of tien lopen van waar mijn vriend M. in Clichy woont. Op  sommige middagen vliegt de somberheid me daar naar de strot. Dan moet ik er even uit en dwaal ik door Parijs. “Je neus achterna lopen”, noemde mijn moeder schamper dat wat ze zelf nooit deed omdat ze altijd doelgericht was. En ik doe dit het liefst, dit vrije lopen zonder plan, net als een hond onderweg naar wat hij ruikt, hoort en ziet dat interessant is. Vol aandacht voor alles wat er is.

Peter Cornelius: Couleur de Paris
Soms kom ik zo wel eens op deze begraafplaats van Batignolles terecht. Vroeger had ze ook een ingang in Clichy zelf, nu is op de Parijse kerkhoven stevig bezuinigd en is de enige ingang aan de kant van de Porte de Clichy, waar onlangs een immens, modern en dus lelijk gerechtsgebouw is verrezen, het Palais de Justice. Het overdondert niet alleen de toekomstige te veroordelen criminelen.

Je kunt het niet een mooi kerkhof noemen. Vergeleken met dat van Montmartre of met Père Lachaise is het kaal omdat er veel minder bomen staan en in plaats van de vaak protserige  grafhuisjes zijn er hier bijna enkel zerken. Opvallend is dat de périf, de rondweg waar het tegenaan ligt, een grote brug vormt over het zuidelijke deel ervan. “Rustplaats” is ook maar een relatief begrip.

Ik kom er dus niet om me in romantisch doodsbesef te wentelen. De reden dat ik er in de loop der jaren zeker wel een keer of tien geweest ben is dat André en Elisa Breton er begraven liggen. “Je weet toch”, vraagt M. betweterig, “dat die er niet echt meer zijn?” Hun gezamenlijke graf is in de noordelijke hoek en de verkrijgbare plattegrond is te grof van schaal om de precieze plaats te bepalen, maar ik heb het tot nu toe elke keer gevonden. Vorig jaar lukte dat niet. Ik moest er elke keer overheen gekeken hebben, de kleur van het graf is grijs, net als bijna alle andere en ook verder is er weinig onderscheid, behalve dat er geen kruis op staat. Ten einde raad las ik hardop de naam op elk graf in de rij waarin ik het verwachtte, maar ook dat leidde niet tot een vondst. Ik wou mijn zoektocht al opgeven, toen ik een kleine honderd meter verderop een opvallende gestalte tussen de graven zag bewegen. Alles aan deze spinachtige figuur leek lang en dun. “Monsieur? Weet u het graf van André Breton?” “Mais oui,” antwoordde hij en ging me voor naar de buurt waar ik gezocht had maar niet had gevonden.

Hij wees me de zerk aan, net buiten het gebied dat ik doorzocht had. André Breton (1896-1966) stond erop en Elisa Breton (1906-2000). Met de tekst: “Je cherche l’or du temps” en een klein sferisch object van in elkaar gevlochten driehoeken. Ik legde een steentje op het graf naast het andere dat er al lag, stond even stil te peinzen en vertrok. De dunne man was alweer een eindje verderop. Ik bedankte hem nogmaals. Terwijl hij naar me toe kwam vroeg hij waar ik vandaan kwam.  “Je suis Néerlandais”, zei ik en toen hij me bevreemd aankeek: “Hollandais.” Hollander voel ik me zeker niet, maar weten die Fransen veel over onze binnenlandse verhoudingen.

“Ah, Hollandais,” zei hij en greep in zijn jaszak. Een veelgelezen exemplaar van Nadja, Bretons roman, kwam tevoorschijn. Hij bladerde zoekend naar de pagina waar de ik-figuur de naamgeefster van de roman weer ontmoet. Ik las over zijn arm mee, niet over zijn schouder, want daar was hij te lang voor, wel een kop groter dan ik. In de passage die hij aanwees geeft Nadja als reden waarom ze Breton in de Rue de la Chaussée-d’Antin voor de tweede keer tegenkomt dat ze op zoek was naar “bonbons hollandais”. De tekst gaat verder met: “Zonder erbij na te denken zijn we al omgekeerd en gaan we het eerstkomende café binnen.” Ik wees hem die regel aan en zei dat we nu niet anders konden doen dan samen in een café iets te gaan drinken.

Hij nam de uitnodiging aan. Onder het lopen praatten we over Breton en zijn roman Nadja. Voor mij was het misschien twintig jaar geleden dat ik het boek gelezen had, maar hij kende het zo ongeveer van buiten. Daarentegen was hij van Bretons radicale gedachten, die uit de Manifesten van het Surrealisme, waarvan ik veertig jaar geleden zo onder de indruk was geraakt, niet zo op de hoogte, leek het. Bij de Porte de Clichy sloegen we linksaf, de Avenue de Clichy in. (Deze loopt tot aan de Place de Clichy, waar je kunt kiezen tussen de Rue de Clichy en de Boulevard de Clichy, die naar het Gare du Nord leidt.)

Halverwege de klim van de Avenue de Clichy, op de kruising met de Rue Brochant, lag het eerste café, Le Libre Échange. We gingen zitten en dronken koffie. Hij heette Philippe. We praatten alsof we elkaar al langer kenden. Hij was verbaasd over het feit dat hij, trouwe lezer van Nadja, bij het graf van Breton een “Hollander” ontmoet had die het boek ook gelezen had. En ik van mijn kant overpeinsde hoe klein de kans was dat een willekeurige kerkhofbezoeker het graf van Breton kon aanwijzen en dat die bezoeker ook nog Nadja op zak had.

Bij het afscheid nemen buiten, net voor de ingang van metrostation Brochant van lijn 13, ontstond er het besef dat ik hem waarschijnlijk nooit meer zou zien en tegelijk de verlegenheid om daar iets aan te doen. Maar Philippe doorbrak deze stilstand door uit zijn binnenzak een visitekaartje op te vissen met daarop alleen zijn voor- en zijn achternaam, Philippe L. “Un instant”, zei hij en krabbelde zijn 06-nummer op het kaartje. “Ik bel je de volgende keer dat ik in Parijs ben”, zei ik.


Foto’s: Peter Cornelius – bron en info

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.