In de marge van het haalbare

Maasvlakte



Joachim Wilbers

 

We hebben geen speelruimte, werd gezegd en het ging niet over een voetbalwedstrijd. De opmerking viel in de wandelgangen maar niemand wandelde nog. Iedereen bleef geschrokken staan. Is het al zo laat? Zo laat was het inderdaad.

Ze hadden het vaak over vijf voor twaalf, zo vaak dat ze niet in de gaten hadden dat de wijzers doortikten, de kaap van de twaalf passeerden. Had dan niemand leren kloklezen? Blijkbaar!

De schrik zat erin. Er werd voortdurend over maatregelen gesproken, maar niemand voerde ze uit. Daaraan werd niet gedacht. Maar heb jij dan niet doorgegeven…? Blijkbaar niet.

Schuld werd afgeschoven. Zwarte Pieten toegespeeld en er was altijd wel iemand uit het lagere echelon die ze verzamelde. Diegene was de pineut, maar wat hadden we eraan? Niets! Het was voldongen en daarmee moesten we leven. Hoelang nog werd niet geweten. Het dak kon elk moment naar beneden komen en ons allen verpletteren. Een somber vooruitzicht.

Is er geen ontkomen aan? Nee. In de wandelgangen werd het muisstil. Ieder dacht aan zijn of haar eigen einde.

We hebben het over onszelf afgeroepen. Dat was waar, maar wat hadden we eraan? Nogmaals; niets!

We hebben er te weinig aandacht aan geschonken. Weer zo’n dooddoener, een waarheid als een koe. Daarmee hielden de dames en heren specialisten zich bezig, met hadden we maar…

We hadden eerder moeten handelen. Houden jullie op, stelletje bleekneuzen en dat sloeg de waarheid op zijn kop, want iedereen was wit weggetrokken. Het is niet leuk om te moeten concluderen dat je het voorgoed hebt laten lopen, dat herkansing niet bestaat. We waren de klos, zoveel was zeker, hoezeer er ook was gehamerd op dat er actie moest worden ondernomen.

Dat lag in het verleden en daarom niet meer terug te halen, hoeveel spijt eenieder ook voelde.

We hebben verzaakt. Ja, en nu? Niets meer, afwachten en manmoedig onze eigen onwil dragen. Dat werd makkelijk gezegd, maar je rook de angst. Het was er niet één wiens luier moest worden ververst. Ik vermoed dat een heel pak pampers nodig was om de angst te stelpen, en dan nog…

Hoe vertel ik het thuis? De eerste die uit de wandelgangen kroop, in gedachten toch, zijn aandacht naar buiten richtte, wat ook de anderen aan het denken zetten. Verdomd ja, de achterban!

Hoe vertel je dit thuis, de anderen, aan iedereen die verwachtte? De onrust die zou ontstaan, de paniek. Werd het ieder voor zich, of was het mogelijk de rampspoed te stroomlijnen, in banen te leiden, en zo ja, hoe? Ze hadden het ergste waarheid laten worden, konden ze dan nog wel…? Hoe geloofwaardig zouden ze zijn?

Moeten we niet…? De spreker zweeg, hoorde zichzelf. In de marge van het haalbare, probeerde hij toch. Iedereen keek hem aan. Welke marge? Heb je het niet begrepen? We hebben geen marge!

Er moet toch iets zijn, een lichtpuntje. Dat is altijd zo. Soep wordt nooit zo heet…, Hij zweeg onder de verbijsterde blikken.

Ontkennen heeft toch geen zin!

Ja maar… Het kan toch niet zo publiek worden gemaakt, zonder de minste hoop…? Weet je waar je op afstevent?

Op de ondergang.

Daarom. We moeten marge inbouwen, een sprankel hoop. Iets waardoor iedereen gelooft dat het goed kan komen.

Verzin het maar.

Dat is wat ik zeg; binnen de marge van het haalbare.

En die marge is?

Het haalbare, wat ik zeg. We zullen alles doen om dat haalbare te realiseren.

Wie zal dat geloven?

Iedereen. Liever dan hopeloos de voldongen feiten onder ogen te zien.

Hij kreeg gelijk, al veranderde dat niets aan de omstandigheden.


Uitgelicht: bron

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.