Onderzoeksjournalistiek

· journalistiek, justitie, Maastricht, politiek
Authors
Recentelijk werden een aantal thema’s in het discussieforum van de NRC aangesneden die ogenschijnlijk weinig met elkaar uitstaande hebben. Onderzoeksjournalistiek, Job Cohen, het celibaat, politieke hervormingen. En toch…! Joep Dohmen, journalist die ooit voor De Limburger de Limburgse bouwfraude aan het rollen bracht, komt in het volgend stuk (een concept) aan het woord m.b.t. malversaties bij de voetbalclub MVV. Als trouw supporter van deze club doet het me pijn aan het hart, echter het is niet anders. Vanwege de actualiteit en om nog eens ten overvloede te wijzen op het belang van een (voor-)geschiedenis hier het betreffende stuk.

 

Eerst even zomaar een wedstrijd uit de jaren negentig… Een hattrick…

 

 

 
Correspondentie met Job Cohen

Per e-mail op 24 maart 2003, 11.48 uur
BERICHT VOOR DE HEER J. COHEN (PERSOONLIJK)
24/3/03 Geachte heer Cohen,

Het boekenfonds van NRC Handelsblad publiceert in juni een boek naar aanleiding van de bouwfraudeaffaires, geschreven door Jos Verlaan en mij. Daarin staan enkele hoofdstukken uit mijn boek De Vriendenrepubliek. U komt hier ook in voor. Aangezien de hoofdstukken zijn geactualiseerd bied ik u de gelegenheid vooraf te reageren op de concepttekst. Mocht u hiervan gebruik willen maken, dan heeft u een week de tijd. Ik moet 1 april dit deel van de kopij inleveren. Mocht u niet reageren, dan ga ik ervan uit dat u akkoord bent met de tekst.

Met de meeste hoogachting,
Joep Dohmen NRC Handelsblad

(..)

Het systeem van geven en nemen in de gemeente hield ook en vooral voetbalploeg MVV op de been. De club was onder het bestuur van VVD-Kamerlid Max Tripels in een financiële afgrond gegleden. De schuld was in 1983 opgelopen tot 4,5 miljoen gulden. Op verzoek van Tripels begon in 1984 de miljonair Leon Melchior aan een reddingsoperatie. Hij saneerde de schulden en regelde een nieuw stadion, in samenwerking met lokale grootheden als Joosten, Lieben, chirurg Co Greep en Sphinx-topman Bert Kaptein. De gemeente legde in 1986 3,7 miljoen op tafel voor de nieuwbouw en schonk het oude stadion met de grond aan MVV.

De aanbesteding van het nieuwe stadion in 1986 was een farce. Bij voorbaat stond vast dat aannemer Ballast Nedam ingeschakeld zou worden. Dat bedrijf was door het ministerie van WVC uitverkoren om het landelijk plan ‘terugploegexperiment betaald voetbalaccommodaties’ uit te voeren. Ballast Nedam kon overal in Nederland een claim neerleggen waar het ministerie subsidies uit de terugploegregeling uitdeelde. In twee telexberichten aan Leon Melchior op 3 mei 1984 toonde L. Voslamber van de Ballastgroep begrip voor de lokale verhoudingen: ‘Voorts merken wij ter verduidelijking op dat bij ons geen enkel bezwaar bestaat tegen het bij het project betrekken van andere aannemersbedrijven (sponsors van MVV)’ en: ‘Als blijk van onze grote interesse en ons vertrouwen in de haalbaarheid van vermelde plannen stellen wij u voor met een bijdrage van ƒ 75.000 als mede-sponsor van uw vereniging op te treden.’ In het financieel gezond maken van MVV paste ook de jaarlijkse bijdrage van honderdduizend gulden uit de ‘belasting’ die werd opgebracht door de beschermde wegenbouwbedrijven die hun werk zelf mochten verdelen.

Aannemer Lieben was van 1989 tot 1992 voorzitter van de voetbalclub. Hij werd opgevolgd door Karl Dittrich, toen vice-voorzitter van het college van bestuur van Rijksuniversiteit Limburg, thans Universiteit Maastricht. De PvdA’er raakte verstrikt in zijn relatieweb. In 1993 werd bekend dat Dittrich sinds 1991 adviseur was van BCM, de aannemer die in Maastricht van 1985 tot 1993 meedeed aan verboden prijs- en werkafspraken voorafgaande aan aanbestedingen. Een van de projecten waar zulke afspraken over waren gemaakt, was de collegezaal van de economische faculteit van de universiteit, opgeleverd in 1991. Dittrich kwam met zijn bijbaan in problemen. Hij bleek in een functioneringsgesprek met de vertrouwenscommissie van de universiteitsraad op 11 februari 1992 de afspraak te hebben gemaakt dat hij zijn nevenfunctie bij BCM zou verbreken als het bouwbedrijf ‘een binding’ kreeg met de universiteit. In het conceptverslag van het functioneringsgesprek staat: ‘Wat deze laatste functie betreft [het adviseurschap van het bouwbedrijf, red] deelt hij [Dittrich, red] mede dat hij deze terstond zal opgeven op het moment dat er een binding tussen dit bedrijf en de RL [Rijksuniversiteit Limburg, red] ontstaat’. Dittrich liet op 16 juli 1993 het conceptverslag aan De Limburger zien. Daarmee wilde hij aantonen dat hij zijn bijbaan niet verzwegen had. Dat was juist, maar tegelijk bleek wel dat hij zijn afspraak met de vertrouwenscommissie niet was nagekomen. BCM had namelijk in de tussentijds een (onderhandse) opdracht van de universiteit gekregen, terwijl Dittrich adviseur was gebleven.

Achteraf stelde Dittrich dat hij de bewuste vergadering van de BCM-directie, over de opdracht van de universiteit, niet als adviseur had bijgewoond. En één opdracht kon Dittrich toch moeilijk zien als een ‘binding’. Dittrich vluchtte in een woordenspel. BCM had overigens eerder ook de woning van Dittrich verbouwd. Het bedrijf had ook toen al een binding met de universiteit. In 1989 kreeg BCM, dat toen nog Cremers heette, na een openbare aanbesteding, samen met een andere aannemer een opdracht van 51 miljoen gulden voor de bouw van de medische faculteit. De Limburger vroeg om meer informatie over de privé-verbouwing, maar Dittrich weigerde: ‘Die verbouwing is gewoon afgerekend. Maar ik vind niet dat ik u daarvan rekeningen of betaalbewijzen moet laten zien. Dat is een privé-zaak.’ De universiteitsraad zag 30 september 1993 geen belangenvermenging. Leden van het college van bestuur waren immers niet rechtstreeks betrokken bij de aanbesteding van bouwwerken. En het adviseurschap was in overeenstemming met de regels aangemeld. Met de verbouwing van Dittrichs woonhuis door BCM was niets mis, oordeelde de raad. Dittrich zou gewoon betaald hebben. De afspraak tot opzegging van de bijbaan zag de raad over het hoofd. Uiteindelijk stapte Dittrich toch op als adviseur van BCM. In december 2002 zei hij daarover in het blad Binnenlands Bestuur: ‘Toen die ophef in 1993 eenmaal was ontstaan, heb ik meteen gezegd: ik stop met dat adviseurschap, want ik ben klaarblijkelijk niet in staat om de schijn te vermijden. Achteraf gezien was het ook naïef. Ik had niet aan dat adviseurschap moeten beginnen, hoewel ik het wel had aangemeld en het dus publiek was.’

Naïviteit was hét probleem van Dittrich. Bewijzen dat hij persoonlijk gewin had gehad ontbraken. Maar als universiteitsbestuurder had hij kieskeuriger moeten zijn in het kiezen van zijn vrienden, en zijn bijbaantjes. Dat gold ook voor zijn voorzitterschap van de Maastrichtse betaald voetbalclub MVV, een jongensdroom die hem in grote problemen zou brengen. Dat MVV onderdeel was van de Maastrichtse coterie zag Dittrich niet, of wilde hij niet zien. Hij zat samen in het bestuur van de club met Fons Cremers, de directeur en aandeelhouder van bouwbedrijf BCM. De helft van de aandelen van BCM waren van wegenbouwer BLM, het bedrijf van oud-MVV-voorzitter Bert Lieben en de Van den Biggelaargroep. Eind 1993 raakten Dittrich, Lieben, Van de Biggelaar en Cremers betrokken bij de zwart-geldaffaire van MVV. De affaire ontstond terwijl de ster van MVV op sportief gebied net weer begon te fonkelen. Oorzaken van de affaire waren amateuristisch bestuur en geldzorgen. In geldnood, zocht de club onder directeur Ron Weijzen naar wegen om de eindjes aan elkaar te knopen: een zwarte kas, opgebouwd met een deel van de recette. In plaats van salaris declareerden medewerkers nooit-gemaakte onkosten en kilometers. Van medisch verzorger tot terreinknecht, bijna iedereen in de club pleegde valsheid in geschrifte. Directeur Weijzen zou in een vergadering instructies hebben gegeven over hoe het personeel zwart diende te declareren. Bij transfers waren valse facturen gemaakt en er was gefraudeerd met ziektegeld. Ook bleken twaalf aangiftes omzetbelasting van de maanden juli 1991 tot en met juni 1992 ‘volslagen onjuist’ te zijn, concludeerde de FIOD. Vier aangiftes waren ondertekend door voorzitter Dittrich. De zaak kwam aan het licht toen de politie een administrateur verhoorde die een paar ton gestolen had uit de clubkas. Voorzitter Dittrich had de man op 3 oktober 1993 aangegeven bij de politie.

De administrateur erkende zijn vergrijp. Daarmee was de kous niet af. De man deed op zijn beurt een boekje open over de club en over de clubleiding. Zo begonnen politie en FIOD een apart onderzoek tegen MVV, wegens omvangrijke fraude, en tegen het bestuur, wegens het leiding geven aan de malversaties. Op 15 november 1993 deed justitie huiszoeking in het stadion. Directeur Weijzen en oud-voorzitter Bert Lieben werden aangehouden. In de administratie vond justitie ook een aanwijzing voor de juistheid van de meest pikante bekentenis van de administrateur. MVV zou FC Utrecht hebben omgekocht op 16 juni 1991, in de laatste wedstrijd van het seizoen. Dankzij de 1-1 uitslag bleef MVV in de eredivisie. Dat gaf meteen een Italiaanse dimensie aan de MVV-affaire. Maastricht had alles al gehad, maar omkoping van een voetbalclub overtrof de stoutste verwachtingen.

Eind november 1993, een week na de inval in het stadion, liet officier van justitie H. Van Atteveld het complete bestuur van MVV, onder wie Dittrich en Cremers, enkele dagen in verzekerde bewaring nemen. Niet iedereen was daar blij mee. De Maastrichtse hoofdofficier Fransen moest bij een gepikeerde procureur-generaal R. Gonsalves in Den Bosch komen. De procureur was gebeld door het ministerie van Justitie met de vraag wat er toch allemaal aan de hand was in Limburg en of die drastische aanpak wel nodig was. De irritatie bleek vooral van doen te hebben met de behandeling van Dittrich, op dat moment vice-voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Maastricht.

Lopende het strafrechtelijk onderzoek had Dittrichs partijgenoot en goede vriend, de in juli 1993 staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen geworden rector magnificus van de Universiteit Maastricht, Job Cohen zich in Den Haag sterk gemaakt voor zijn vriend die in hechtenis zat. Hij bleek minister Hirsch Ballin na een vergadering te hebben benaderd. Cohen zei volgens Hirsch Ballin: ‘Dat is toch wel allemaal heel pijnlijk wat daar gebeurt. Is in die zaak zo’n zwaar middel nou wel nodig?’ Hirsch Ballin liet zich informeren over de kwestie, waarna het ministerie de procureur liet weten dat er zorg bestond bij de minister over het opsluiten van het bestuur. Cohen ontkent zich in deze bewoordingen te hebben uitgelaten. Hij zegt destijds alleen ‘de zaak Dittrich’ aan Hirsch Ballin te hebben ‘uitgelegd’. Hoofdofficier Fransen steunde de MVV-aanpak van zijn collega Van Atteveld in zijn gesprek met Gonsalves. Als antwoord kreeg hij een zwaar aangezette brief waarin de procureur schreef dat de beslissing om het MVV-bestuur achter de tralies te zetten buiten alle proporties was. Er had ook beter overleg moeten zijn, vond Gonsalves. Want het ging om een zaak van ‘groot maatschappelijk belang’. Of hij daarmee de voetbalclub bedoelde of de positie van Dittrich, bleef onduidelijk.

In de dagen dat hij in de cel zat, bekende Dittrich dat over omkoping gesproken was in een bestuursvergadering, ná de wedstrijd tegen FC Utrecht. Volgens De Limburger, die het nieuws onthulde, zou Dittrich verklaard hebben dat toenmalig voorzitter Bert Lieben in de vergadering melding maakte van ‘een regeling met FC Utrecht’. Lieben zorgde eind 1991 voor de financiële afwikkeling. Het onderzoek in de administratie van MVV en BLM leverde inderdaad een betaallijn op tussen MVV en FC Utrecht. BLM, eigendom van Bert Lieben en de aannemersfamilie Van den Biggelaar, bracht bij MVV 19.500 gulden in rekening voor een nooit door dat bedrijf aangelegde parkeerplaats. BLM boekte 19.500 gulden over aan het bedrijf Van den Biggelaar. Van den Biggelaar kocht voor 19.500 gulden drie business-seats bij FC Utrecht. Toch had Justitie niet voldoende bewijs om een oorzakelijk verband te kunnen leggen tussen de betaallijn en de uitslag van de wedstrijd. Het bewijzen van omkoping van de voetbalclub leverde net zo veel problemen op als het verzamelen van voldoende bewijzen tegen een corrupte bestuurder. Justitie concludeerde dat er ook een valse rekening was, maar dat omkoping van FC Utrecht ‘niet is komen vast te staan’. De verdenkingen van belastingfraude en valsheid in geschrifte bleven overeind. Ten aanzien van Dittrich betrof het, het feitelijk leiding geven aan de verboden gedragingen. Dittrich was, volgens justitiële bronnen, aansprakelijk voor de fraude en andere onregelmatigheden omdat ze ten dele te wijten waren aan zijn eigen handelen. Dit handelen kon wettelijk gezien zowel een doen (het zelf frauderen) als een nalaten zijn (door het ontbreken van preventieve maatregelen en toezicht of door het ontbreken van een deugdelijke administratie en interne controle).

Terwijl Karl Dittrich in juli 1994 nog verdachte was in dit strafrechtelijk onderzoek, stemde het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen in met de benoeming van Dittrich tot waarnemend voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Maastricht (UM). Dat gebeurde op voordracht van de raad van toezicht van de UM, waarvan oud-gouverneur Sjeng Kremers voorzitter was. Job Cohen was nog tot 22 augustus dat jaar staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, minister van onderwijs was Jo Ritzen. Met het besluit om niet te wachten op de beslissing van het openbaar ministerie inzake de strafvervolging van Dittrich, nam het ministerie een risico. Want wat als Dittrich in een strafproces veroordeeld zou worden wegens het leiding geven aan valsheid in geschrifte? Dan was de positie van Dittrich als voorzitter van het college van bestuur onder druk komen te staan. Drie maanden later, in november 1994, kochten club, directeur, vier bestuursleden en enkele andere verdachten met het betalen van een transactie een openbare behandeling van hun strafzaak af. De club en de bestuursleden erkenden dat toezicht en controle intern onvoldoende waren geweest. MVV betaalde aan het openbaar ministerie 160.000 gulden en aan de belastingdienst een bedrag van bijna acht ton. Voor het versturen van de valse rekening betaalde de directeur van BLM een schikking van 3.000 gulden. Lieben kocht zijn rechtszaak af met 3.750 gulden, directeur Weijzen betaalde 20.000 gulden. Voorzitter Dittrich en de andere drie bestuursleden betaalden ieder 7.500 gulden. Daarmee ging ook Dittrichs conceptdagvaarding – het feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrifte, meermaals gepleegd – van tafel.

De kwestie leek vergeten, maar werd in november 2001 weer actueel toen Dittrich zich kandidaat stelde voor het burgemeesterschap van Maastricht. Als voorzitter van MVV had hij de club niet op het rechte pad gehouden en als universiteitsbestuurder had hij niet tijdig zijn adviseurschap bij een bouwfrauderende aannemer opgezegd. Een bericht van NRC Handelsblad hierover riep verontwaardiging op in de universiteitswereld en bij Dittrich. Die deed alsof hij uitsluitend bestuurlijk verantwoordelijk was gesteld voor ‘het gesjoemel’ van de administrateur. Verontwaardigd was ook Dittrichs netwerk, onder wie Job Cohen. Die was inmiddels zelf burgemeester van Amsterdam. In het Maastrichtse universiteitsblad Observant zei Cohen over Dittrich: ‘Hem was niets te verwijten’. Cohen sprak over ‘karaktermoord’, gepleegd door NRC Handelsblad.

In de Volkskrant nam Cohen het op voor zijn vriend:’Bevoordeling van een bouwbedrijf waaraan Dittrich als adviseur was verbonden? Onzin. Hij heeft nooit nevenfuncties verzwegen, en heeft belangenverstrengeling altijd zorgvuldig vermeden. En de belastingontduiking waarbij MVV tijdens zijn voorzitterschap betrokken raakte? Daarop heeft hij het Openbaar Ministerie nota bene zelf geattendeerd.’ Cohen gaf geen juiste voorstelling van zaken.
In het publieke debat ging het vervolgens niet om de inhoud, zoals om de vraag: hoe onbevlekt moet een burgemeesterskandidaat zijn? Mag er een vlek zijn of niet en, zo ja, hoe groot mag die vlek zijn? En: eenmaal een vlek, altijd een vlek? Iemand die zich tien jaar eerder lichtzinnig begeven had in het Maastrichtse old-boyscircuit, destijds de schijn van belangenverstrengeling niet had vermeden en als bestuurder faalde om MVV op het rechte pad te houden, kon zo iemand burgemeester worden? De kwestie behoefde een inhoudelijk, politieke discussie, maar die vond niet plaats. Na de voordracht door de gemeenteraad bleek er ook in Maastricht weinig belangstelling voor zulke vragen, een uitzondering daargelaten. Maastricht vond in meerderheid Dittrich wel een geschikte vent, ein vaan us.

Een andere vraag was: hoe zorgvuldig was de screening van deze kandidaat geweest? Hoe grondig was het voorbereidend werk van commissaris van de koningin baron van Voorst tot Voorst? En wist de vertrouwenscommissie van de gemeenteraad, die Dittrich naar voren schoof, wel precies waar Dittrich in de MVV-fraude van verdacht werd? De woordvoerder van Van Voorst bevestigt dat de provincie op 16 oktober 2001 een justitieel uittreksel over Dittrich ontving. Maar die informatie werd, aldus de woordvoerder, niet in zijn geheel doorgestuurd naar de vertrouwenscommissie.

Dittrich hoorde, vertelde hij tegen Binnenlands Bestuur, twee weken ná zijn voordracht dat zijn kandidatuur óók onderwerp van gesprek was geweest in de raad van hoofdcommissarissen. Korpschef Henk Mostert van de regiopolitie Zuid-Limburg, die met Dittrich had moeten gaan samenwerken, was tégen Dittrichs benoeming. Wat Dittrich toen nog niet wist, was dat Mostert er niet alleen met zijn collega’s over sprak. Hij had de integriteitsvraag ook pregnant neergelegd bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat kreeg Dittrich achteraf te horen van Mostert. Wist de korpschef meer, of was het alleen zijn moreel oordeel dat Dittrich vanwege zijn verleden ongeschikt was? Mostert wil na zijn pensionering niets meer over zeggen. Interessant is wel dat Mostert, anders dan de vertrouwenscommissie, rechtstreeks kon beschikken over alle details van de verdenkingen tegen Dittrich.

In de weken nadat zijn kandidatuur bekend was geworden, was er voor Dittrich binnen zijn eigen partij onvoldoende steun om zijn benoeming door te zetten, zeker toen het CDA er een politiek punt van maakte. De uitkomst van een gesprek van Dittrich met minister Klaas de Vries (PvdA/Binnenlandse Zaken) op 7 december 2001 was dat Dittrich zich ‘op zijn positie zou beraden’. Een paar dagen daarna schreef Dittrich een brief aan de Vries (‘mijn toekomstig functioneren als burgemeester [is] in diskrediet gebracht’). Hij schreef dat hij afzag van zijn kandidatuur. De Vries benoemde CDA-Tweede Kamerlid Gerd Leers, de tweede kandidaat op de voordracht van de gemeenteraad. Dittrich diende bij de Raad voor de Journalistiek nog een klacht in tegen NRC Handelsblad, maar die werd ongegrond verklaard.

(..)

Onderwijl stevende MVV weer eens af op een bankroet. Het ging in 2001 sportief en financieel zo slecht met de club dat de voetbalbond KNVB de licentie dreigde in te trekken en de banken het krediet wilden opzeggen. De gemeente stak na enige discussie begin 2002 opnieuw twee miljoen gulden in de club. Dat gebeurde zonder toestemming van de Europese Commissie. Die moet met de steun aan betaald voetbalorganisaties instemmen.
Jan Hoen was toen al lang geen bestuurslid meer van MVV. Hij was in stadse kringen wel nog altijd een respectabel oud-bestuurder, maar met weinig gevoel voor humor. Toen Dagblad de Limburger in 2000 een satirische column aan hem wijdde, voelde hij zich geschoffeerd. Hoen daagde de krant in kort geding voor de rechtbank. Die had hem in een column ‘mislukt als wethouder’ genoemd en dat diende gerectificeerd worden. Na mislukt te zijn als wethouder, schreef de krant, zou de functieloze Hoen door zijn vriend, hotelier Benoît Wesly, aan een baantje bij voetbalclub MVV geholpen zijn, als opvolger van Karl Dittrich. Hoen, inmiddels voorzitter van de regionale afdeling van Horeca Nederland, riep daarna op zijn beurt Wesly uit tot `Man van het Jaar’. Het waarom van die uitverkiezing was niet geheel duidelijk. De columnist hield het maar op een vriendendienst. ‘De republiek der kameraden heeft ook na het jaar 2000 nog het eeuwige leven’, luidde de conclusie. Hoen was geen onbesproken figuur in Limburg, verdedigde advocaat Joep Koster de krant. ‘In de rubriek wordt met regelmaat aandacht besteed, op een satirische wijze, aan de omstandigheid dat de Maastrichtse coterie eigenlijk nog steeds bestaat. Op een wat ironische wijze wordt erover verhaald hoe bepaalde mensen. en Hoen maakt daar prominent deel van uit. elkaar de bal toespelen.

‘De publicatie is onheus en beledigend, en op onderdelen onjuist’, betoogde Hoens raadsman die vond dat er geen sprake was van satire. Volgens hem probeerde de krant Hoen ten onrechte in verband te brengen met de corruptieaffaires. De raadsman: ‘Dit is een poging om de persoon Hoen nog verder af te breken. Hoen is nooit veroordeeld en was met succes zeventien jaar wethouder. Bij zijn afscheid ontving hij de gouden stadspenning’.

Als bewijs van de lokale populariteit van de oud-wethouder citeerde hij uit het gedenkboek dat Hoen bij zijn afscheid als wethouder in 1994 had ontvangen. Toenmalig staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen Job Cohen schreef daarin: ‘Zonder Jan Hoen is Maastricht Maastricht niet meer’.

EINDE TEKST ————————————————————————————————————-

antwoord per brief

gemeente Amsterdam
stadhuis, amstel 1 1011PN amsterdam telefoon 020-552.2000 telefax 020-5523100 postbus 202
1000 AE amsterdam

De heer J. Dohmen NRC-Handelsblad Marten Meesweg 35 3068 AV Rotterdam
onderwerp

Geachte heer Dohmen,

Ik ontving de concepttekst van een hoofdstuk uit uw binnenkort uit te brengen boek, met het verzoek om die tekst te accorderen.
De systematische wijze waarop u feiten en gebeurtenissen negatief duidt en in een negatieve context plaatst grenst aan het maniakale. U creëert daarmee iets waarvan u meent dat dat een werkelijkheid is. Ik herken een dergelijke werkelijkheid niet. Naast een aantal feitelijke onjuistheden, is het verhaal gelardeerd met op z’n minst suggestieve tussenzinnen en uitspraken.
Enige tijd geleden hebben wij op mijn initiatief een gesprek gehad. Daar bleek al snel dat u geen onderscheid kunt maken tussen feiten en gebeurtenissen enerzijds en duiding, toelichting en plaatsing in een context anderzijds. Daarom bleek dat gesprek weinig zin te hebben.
Ik kan geen respect opbrengen voor deze wijze van journalistiek. Hoor en wederhoor krijgen geen oprechte kans bij u. U neemt daarmee een zware verantwoordelijkheid op u en met u uw werkgever NRC Handelsblad.
Dit brengt mij tot de conclusie dat ik op geen enkele wijze zal meewerken aan uw boek; Van accordering mijnerzijds kan dan ook geen sprake zijn.

M. J. Cohen c.c. Hoofdredacteur NRC-Handelsblad
Mr. M.J. Cohen
burgemeester
nummer uw brief
datum 27 maart 2003

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: