DE POLITIEK VAN DE HYPERBOOL

Gérard Dillon



JOOST DE BLOOIS

OVER ONZICHTBARE VIJANDEN, POPULISME EN HARDWERKENDE NEDERLANDERS

 
Wat tien jaar na 9/11 duidelijk is geworden, is dat het pathos van die dagen – ‘niets zal hetzelfde zijn’; het pathos van de historische breuk – inderdaad precies dat was: pathos. 9/11 is de gelegenheid gebleken voor het bestendigen en vooral intensiveren van politieke en economische ontwikkelingen die al op de grens van de jaren zeventig en tachtig zijn ingezet. Het pathos van 9/11 – het pathos van de strijd der beschavingen, de ondergang van het Avondland, de eindstrijd tussen goed en kwaad, de onzichtbare vijand – dat pathos heeft hierbij gretig lippendienst verleent, en doet dit nog steeds. 9/11 is de gelegenheid gebleken om de neoliberale, geglobaliseerde politieke economie, met verbaal en daadwerkelijk geweld wereldwijd, en zeker ook in Nederland, te institutionaliseren. Tien jaar na 9/11 zien we hoe de alliantie tussen neoliberale economische politiek en populistische retoriek, die al vorm begint te krijgen onder Thatcher en Reagan, zich heeft beklonken en tot een uiterst dwingende, en electoraal succesvolle consensus heeft geleid. Op de vraag ‘wat heeft 9/11 ons opgeleverd’, luidt het antwoord: de liberaal-populistische politiek die de obstakels voor de wereldwijde vrije markt – de welvaartstaat, democratische controle, actief burgerschap – langzaam maar zeker opruimt. Het is in die politieke en economische constellatie dat de onzichtbare vijand een sleutelfiguur wordt.
 
De geopolitieke wereldkaart kent na 9/11 nogal wat blinde vlekken. De war on terror is niet zozeer de oorlog tegen de onzichtbare vijand als wel het onzichtbaar maken van de vijand: ook in Europa staan de onzichtbare gevangenissen. Degenen die zich erin bevinden zijn, door het ontbreken van ieder juridisch statuut, onzichtbaar voor de radar van het recht. De permanente uitzonderingstoestand die de strijd tegen terreur mogelijk maakt, zet zowel het internationale als het binnenlandse recht, en degenen die het moet beschermen, buitenspel. Die uitzonderingstoestand is tevens de natuurlijke habitat van het neoliberale kapitalisme. Na 9/11 zien we hoe het verlies aan burgerrechten, hoe de onbemiddelde blootstelling aan de macht gepaard gaat met onze uitlevering aan het economisch darwinisme. Enerzijds zijn er de onzichtbare gevangenissen en juridische blinde vlekken als Guantánamo; anderzijds zijn er de speciale economische zones in bijvoorbeeld China, waar de regulering van de markt en de bescherming van arbeiders zijn opgeschort – of dichter bij huis: Europese staten die onder curatele van ondemocratische instituties als ECB of IMF staan, die regeringen geen andere keus laten dan het doorvoeren van een uitgesproken neoliberale agenda ten koste van hele bevolkingen.
 
De sociaalgeograaf David Harvey vat de economische strategie van het neoliberalisme samen als ‘accumulatie door onteigening’. Oftewel de privatisering van alles wat los of vast zit, en vooral van de instituties van wat voorheen ‘de verzorgingsstaat’ was: gezondheidszorg, onderwijs, nutsvoorzieningen etc. (Harvey 2005). ‘Accumulatie door onteigening’ beoogt het veiligstellen van privaat belang ten koste van het gedeelde goed (volgens Harvey leidt de zogenaamde ‘vrije markt’ slechts tot de bestendiging van klassenbelangen). Het is precies die politiek van de privatisering ingezet in de jaren zeventig en tachtig, die na 9/11 in de hoogste versnelling is gegaan; en het is precies het politieke paradigma van de uitzonderingstoestand en het crisismanagement dat hierbij van dienst is. De strijd tegen de onzichtbare vijand is onlosmakelijk vervlochten met de politiek van de privatisering. De huidige alliantie tussen neoliberalen en populisten is de uitdrukking van die verwevenheid. Beide verlenen elkaar hun diensten: het liberalisme verzekert de belangen van de financiële elite; het populisme snoert iedere kritiek de mond door middel van de retoriek van de hyperbool en maakt gretig autoritaire maatregelen mogelijk.
 
In zijn Commentaires sur la société du spectacle schrijft de Franse theoreticus Guy Debord dat hét model voor de huidige politiek de maffia is (Debord 1988). Dat wil zeggen: de maffia is niet zozeer de duistere onderwereld als wel de volstrekte omkeerbaarheid tussen de onderwereld van het brute eigenbelang en de bovenwereld van de democratische en juridische instituties. Na 9/11 zien we hoe op gelijksoortige wijze de fundamentele tegenstellingen verdwijnen die de moderne, democratische politiek hebben vormgegeven (het publieke en staatsbelang versus het private belang; de staatsrede versus burgerrechten en de onafhankelijke rechtspraak die deze moet garanderen; de belangen van de meerderheid versus de rechten van de minderheid, enzovoort): voor het liberaal-populisme doen deze tegenstellingen er domweg niet meer toe, waarmee het de facto afscheid neemt van de moderne democratie. In dit proces serveert het populisme de ideologische rechtvaardiging van het neoliberale eigenbelang; de belangrijkste politieke erfenis van 9/11 is het autoritair kapitalisme.

 

Consensus en autoritair kapitalisme

De politieke betekenis van het afgelopen decennium is het cementeren van het autoritair kapitalisme als maatschappelijke consensus door het liberaal-populistische tandem. De beslissende politieke zet van de laatste dertig jaar is het vertalen, of beter: verplaatsen van politiek-economische vraagstukken naar morele en sociale ‘problemen’ (een strategie die in feite door het hele politieke spectrum heen wordt gehanteerd: van de liberale diehards Reagan en Thatcher tot sociaaldemocraten van de Derde Weg als Blair of Kok. De moral majority heeft weinig economisch belang bij de liberale politiek, maar identificeert zich met de morele, conservatieve retoriek die door diezelfde politiek wordt gehanteerd. De moral majority stemt op ethisch-ideologische gronden voor een economische politiek die volstrekt indruist tegen de belangen van diezelfde meerderheid: de economische politiek van de privatisering, van de wereldwijde vrije markt waarvan slechts een minderheid profiteert. Zoals Jacques Rancière het stelt: consensus is het samenvallen van een politiek (en economisch) model en de veronderstelde, nationale moraal (de nationale cultuur of ethos) (Rancière 2009: 39). Consensus laat zodoende geen ruimte meer voor kritiek, of burgerschap als de uitoefening van kritiek, maar laat alle speel- ruimte aan uitsluiting en repressie.
 
Die strategisch cruciale verplaatsing, richting consensus, wordt vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door het liberaal-populisme: de Hardwerkende Nederlander identificeert zich met de belangen van een staat die allang geprivatiseerd is; wat als algemeen belang wordt gepresenteerd, is de facto het belang van de economische minderheid. Wat we zien is een groeiende zelfmarginalisering van de meerderheid die niet als zodanig wordt ervaren, en wordt afgewenteld op de onzichtbare vijand. Het populisme speelt hierin een sleutelrol: het nationalisme en de fixatie op symbolen zijn het vernis voor een economische politiek die zich van Hollandse folklore niets aantrekt. Het populisme laat zich het beste vertalen met het oxymoron ‘neoliberalisme in één land’. Het populisme parasiteert op de resten van de verzorgingsstaat, maar staat een economische politiek voor die in niets van het neoliberalisme valt te onderscheiden. Wat het voorstaat, is de uitholling van burgerrechten en uitsluiting van hele sociale groepen in naam van het behoud van de laatste restjes koopkracht en sociale zekerheid die tegelijkertijd door de economische politiek worden uitgehold.
 
De onoplosbare tegenstellingen van het populisme vormen voor datzelfde populisme geen enkel probleem. Voor het populisme is het alle dagen carnaval: het wil én de vrije markt én gesloten grenzen, én vrijheid van meningsuiting én censuur, én de ontmaskering van ‘politieke’ rechters én de invoering van politieke rechtspraak, het zegt een cultuur te beschermen die én joods én christelijk én seculier is enzovoort. De liberaal- populistische consensus drijft op dergelijke tegenstrijdigheden, die slechts worden bijeengehouden en gelegitimeerd door de hang naar autoritaire repressie – door repressie die gelegitimeerd wordt door het aanhalen van de ‘onzichtbare vijand’.

 

De politiek van de hyperbool

De retorische figuur bij uitstek van het liberaal-populisme – dé retorische figuur van de politiek na 9/11 – is de hyperbool: de overdrijving die iedere vorm van dialoog, discussie en uitwisseling van argumenten bij voorbaat onmogelijk maakt. Het is precies de hyperbool die de fundamentele tegenstrijdigheden van het liberaal-populisme moet uitwissen, en het is precies in de hyperbool dat de repressie en het geweld schuilen. De ‘botsing der beschavingen’ combineert biologische en religieus-apocalyptische denkfiguren, die uiteraard geen alternatief toelaten: de confrontatie tussen het Westen en de islam wordt voorgesteld als een heuse eindstrijd, waarin het slechts een kwestie is van eten of gegeten worden; in de strijd op leven en dood is de ‘deportatie van miljoenen moslims’ – van het ‘islamitisch stemvee’ – noodzakelijk om het voortbestaan van de eigen cultuur te waarborgen. Dit profetisch-apocalyptisch denken laat uiteraard geen dialoog toe. De politieke tegenstander van de populist is geen gesprekspartner, maar een parasiet die ons in ons voortbestaan bedreigt. De anderen in het politieke speelveld worden door de populist dan ook steevast als pathologische gevallen voorgesteld: ze zijn ‘knettergek’, laf, ziek, gevaarlijk enzovoort; de publieke arena dient van hen gezuiverd te worden omdat zij een gevaar voor anderen en wellicht zichzelf vormen. In de politiek van de hyperbool wordt iedere vorm van kritiek een doodsdreiging, en in kwesties van leven of dood geldt uiteraard slechts één antwoord: het uitschakelen van de tegenstander.
 
Het is in deze retoriek en politiek van de hyperbool dat de onzichtbare vijand een sleutelrol vervult, en dus eveneens een sleutelrol vervult in het in stand houden van de liberaal-populistische consensus. Die consensus steunt zodoende voor een belangrijk deel op wat de rechtsfilosoof Carl Schmitt, in zijn Theorie van de partizaan, de ‘absolute vijand’ noemt (Schmitt 2007). Geen politiek zonder vijand, aldus Schmitt, althans: geen politiek in de klassieke, ware zin. Politiek heeft bij Schmitt altijd nadrukkelijk een territorium: de vijand komt van buiten. De absolute vijand verstoort de wetten van de ware politiek: de absolute vijand heeft geen territorium; de anarchist of de terrorist trekken zich van de klassieke natiestaat niets aan. De absolute vijand maakt van de wereld zijn strijdtoneel en veralgemeniseert de burgeroorlog. Het antwoord dat vandaag wordt gezocht op de absolute vijand is dubbelzinnig: enerzijds in de terugkeer naar een schmittiaans territoriaal model (de grenzen moeten dicht; de rolluiken op zijn Limburgs naar beneden; we moeten ons beschermen tegen de onzichtbare vijand uit het Oosten en de bureaucratie uit Brussel); anderzijds vervaagt de jacht op de onzichtbare vijand alle mogelijke grenzen. Niet alleen bestaat de war on terror uit eindeloze militaire interventies die zich niets gelegen laten liggen aan de grenzen van natiestaten en internationaal recht, de vijand bevindt zich ook onder ons. Het is de allochtoon, de kosmopoliet, de kritische journalist, de linkse kerk, de multicultimaffia enzovoort. Omdat de onzichtbare vijand onzichtbaar is, kan en moet hij dus steeds weer een nieuw gezicht krijgen. Alles en iedereen die zich niet conformeert aan de liberaal-populistische consensus kan tot onzichtbare vijand worden verklaard.

 

Over Hardwerkende Nederlanders en andere politieke dieren

Étienne Balibar onderstreept het onbepaalde karakter van het begrip ‘identiteit’ in het populistische discours: de essentie van de Franse of Nederlandse identiteit wordt in de populistische retoriek nooit helder gedefinieerd (Balibar 1998: 133). Het begrip ‘identiteit’ is een leeg begrip en volgens Balibar schuilt in die leegte de politieke slagkracht (en het gevaar) ervan: juist vanwege het gebrek aan een heldere definitie kan iedereen er potentieel van buitengesloten worden. Iedereen is een potentiële onzichtbare vijand: de sociaaldemocraat zowel als de moslim. De onmogelijkheid van de definitie van ‘identiteit’ is niet zozeer de zwakte van het populistische discours, maar juist de kracht ervan; de onbepaaldheid werkt twee kanten op: zij werpt een dam op tegen beschuldigingen van racisme en rekt het vijandprofiel eindeloos op. De populist haalt altijd zijn gelijk. Het is juist de leegte van het begrip ‘identiteit’ dat het tot instrument van diffuse repressie kan maken.
 
De Hardwerkende Nederlander is een voorbeeld van zo’n ‘leeg’ begrip, dat een centrale plaats inneemt in het huidige politieke discours. In de eerste plaats valt het tautologische karakter van de Hardwerkende Nederlander op: wie Nederlander is, is hardwerkend, wie hard werkt, is Nederlander.
 
De Hardwerkende Nederlander is een generiek concept, het kan dus alle kanten op. In de Hardwerkende Nederlander kan zich zowel de racist herkennen als de gewiekste zakenjongen, de Urker visser, de Turks- Nederlandse ondernemer enzovoort. De Hardwerkende Nederlander ziet zichzelf met nadruk niet als ‘arbeider’: de emancipatoire, in de voorbije eeuw cruciale, collectieve identificering met het klassenbegrip ‘arbeider’ is vervangen door een uiterst individualistisch werkethos, dat louter nog ruimte laat voor de collectieve symbolische, nationalistische identificering met de culturele identiteit.
 
De Hardwerkende Nederlander voorziet maatschappelijke groepen die, in economisch en sociaal-politiek opzicht, logischerwijs tegenover elkaar staan van een schijnbaar gedeelde identiteit: de VVD-stemmer die financieel profijt heeft van de globalisering en economische deregulering én de PVV-stemmer die van diezelfde ontwikkelingen de keiharde consequenties ondervindt. Beiden identificeren zich met de Hardwerkende Nederlander. Tegelijkertijd, omdat het hier gaat om een minimale, generieke identiteit, maakt zij generieke uitsluiting mogelijk. De Hardwerkende Nederlander kan even gemakkelijk alle buitenlanders uitsluiten (zoals de ‘luie’ Zuid-Europeanen) als degenen die verraad plegen aan deze uiterst minimalistische definitie van Nederlanderschap: zij die blijkbaar niet hard werken (kunstenaars, werklozen, wetenschappers, studenten, psychiatrische patiënten enzovoort). Wederom zien we de volmaakte harmonie tussen het populistische discours (het discours van de uitsluiting) en het neoliberale discours (dat van het economisch darwinisme). Balibar volgend kunnen we stellen dat het succes van het concept van de Hardwerkende Nederlander ligt in het samengaan van het sociale en het nationale: de Hardwerkende Nederlander koppelt de voorstelling van nationale identiteit aan een economisch-sociaal model (Balibar 1998: 8). Hierin ligt wederom het gevaar: de identificatie met de Hardwerkende Nederlander ontneemt de burger het politieke burgerschap. Dat wil zeggen, een andere politieke overtuiging wordt onmiddellijk vertaald als ‘links landverraad’. ‘Niet lullen maar poetsen’ is een uiterst autoritair credo.
 
De Hardwerkende Nederlander wil bijgevolg een staat die niet langer moederlijk verzorgend is, maar vaderlijk bestraffend en belonend: belonend, uiteraard, voor de Hardwerkende Nederlander en bestraffend voor al diegenen die van deze identiteit zijn uitgesloten. Weer zien we de paradox van de huidige politiek: door de neoliberale globalisering verdwijnt de soevereiniteit van de natiestaat, maar die wordt onmiddellijk gecompenseerd, in woorden althans, door de populistische, patriarchale opvatting van de staat. De nationale soevereiniteit is een wassen neus in de context van de wereldwijde vrije markt, wat rest is de repressieve soevereiniteit die zich richt tegen ieder alternatief voor de economische politiek van de wereldwijde vrije markt.

 

De onzichtbare opstand?

Binnen een dergelijke consensus is kritiek uiterst precair: het is zeer moeilijk te ontsnappen aan voorstellingen van de onzichtbare vijand. Tegenover een dergelijke consensus, tegenover de alliantie van het wereldwijde, genetwerkte neoliberale kapitalisme en het populisme, lijkt alleen een asymmetrische strijd mogelijk: de kritiek rest slechts de rol van de onzichtbare, ingebedde vijand – de goede partizaan. Dit betekent in feite: het overnemen van een politieke figuur die bedoeld is als rechtvaardiging voor repressie; het herhalen van die figuur betekent de eindeloze intensivering van die repressie. De uitbarstingen die we na 9/11 gezien hebben in de banlieues van Parijs en in de zomer van 2011 in Engelse steden als Lon- den en Manchester, laten zien dat er ogenschijnlijk niets meer bemiddelt tussen (uitgesloten) sociale groepen en de repressieve, liberaal- populistische consensus. De reactie op deze uitbarstingen was voorspelbaar. Het opvoeren van repressie door middel van buitenproportionele straffen, en ook: de volstrekt hysterische retoriek van de onzichtbare vijand die nu victoriaanse niveaus heeft bereikt in de veroordeling van de ‘beestachtige onderklasse’, het morele verval en de besmetting van de goede blanke zeden door de primitieve zwarte cultuur van hiphop en hoodies. Veel van de strategieën en theorieën in radicaal-linkse hoek zijn gebaseerd op een, ironisch genoeg verwant, geloof in een moderne Verelendung: in de totale uitsluiting en onteigening door het liberaal- populisme schuilt de bevrijding; zie bijvoorbeeld theorieën als die van het Franse tijdschrift Tiqqun en het Comité Invisible, die van invloed zijn op recente sociale protesten in Griekenland, of de studentenprotesten in Engeland en Italië (zie De Bloois 2011). De gedachte is: de totale onteigening bevrijdt de potentie voor een radicaal alternatief; in zekere zin wordt gezegd dat het liberaal-populisme zijn eigen onzichtbare vijand creëert die een bevrijdend-subversieve werking heeft. Echter, de consensus wordt door deze onzichtbare vijand helemaal niet weggenomen. Integendeel: de onzichtbare vijand neemt de rol van Kop van Jut op zich. De politiek na 9/11 is de politiek van de crisis en niets garandeert consensus zo goed als crisis, zie de verkiezing van Sarkozy, Cameron en Rutte. De politiek van de consensus blijft functioneren ook na het verdwijnen van de klassieke natiestaat, ook na het uiteenvallen van het sociale weefsel, juist omdat zij de perverse rechtvaardiging is voor deze fenomenen.
 
Het pathos van 9/11 is dus louter pathos gebleken; het diende vooral om een politiek-economische beweging die een kwart eeuw eerder in gang was gezet te versnellen: de beweging van democratie naar algemeen cliëntelisme, naar privatisering van de restanten van democratische instituties, naar een louter nog repressieve staat, naar clustering van belangen, van tijdelijke allianties gedreven door financieel belang op de korte termijn. Dit alles wordt mogelijk gemaakt door een populistische retoriek die parasiteert op een moralisme en een nationale identiteit waaraan de politieke economie van het neoliberalisme geen enkele boodschap heeft. Je aan die houdgreep ontworstelen is de politieke opgave na 9/11.

 


AUTEUR
Joost de Bloois is universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam (Capaciteitsgroep Literatuurwetenschap). Recent heeft hij onder andere gepubliceerd over Tiqqun, Georges Bataille, Jacques Derrida en Guy Debord.
 
LITERATUUR
Balibar, É. – Droit de cité. Parijs: Presses universitaires de France (1998)
Bloois, J. de – ‘Tiqqun en het Comité Invisible’. In: B. Ieven (red.) nieuwe Franse filosofie. Denkers en thema’s voor de 21e eeuw. Amsterdam: Boom (2011)
Debord, G. – Commentaires sur la société du spectacle. Parijs: Gallimard (1988)
Harvey, D. – Neoliberalism. A brief history. Oxford: Oxford University Press (2005)
Rancière, J. – Moments politiques. Interventions 1977-2009. Parijs: Éditions La Fabrique (2009)
Schmitt, C. – Theory of the partisan. New York: Telos Press (2007)


Bron: Krisis, 2011, Issue 3 – Creative Commons


Bron uitgelichte afbeelding onbekend

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.