BINNEN EN BUITEN: GRENZEN

Chinese Muur


 

MAAR ER ZIJN GRENZEN!

 

Banksy – Westbank

 

Tomas Ronse

 
Grenzen. Vind je ze vanzelfsprekend? Elke dag sterven mensen in een poging om ze over te steken, elke dag sterven mensen omdat hun leiders het niet eens zijn over waar ze zich horen te bevinden. En elk jaar sterven er meer. Op slagvelden, in de zee en woestijnen. Vind je dat onvermijdelijk? Jammer maar helaas?

Albina Fetahaj

Albina Fetahaj vindt van niet. Zij is een in België geboren dochter van Kosovaarse vluchtelingen en heeft over grenzen een boek geschreven dat onlangs bij EPO verscheen. Uit eigen ervaring wist ze alvast dat grenzen iets anders betekenen naar gelang wie je bent. Met haar Belgische paspoort kan Albina naar 68 procent van alle landen reizen zonder een visum te hoeven aanvragen, met haar Kosovaarse paspoort naar de helft minder (al is dat vorig jaar verbeterd). Met een Afghaans paspoort zou ze slechts zeven landen kunnen bezoeken.
 
In haar dankwoord omschrijft Fetahaj haar boek als “een reflectie van mijn masterproef” en ze verbergt niet dat haar mentor, de Gentse prof Koen Bogaert die ook het voorwoord schreef, een grote inspiratiebron was. Die academische origine laat zijn sporen na. Een student moet tonen dat wat zij of hij beweert niet zomaar uit de duim is gezogen en dus moet het betoog gespekt worden met massaal veel citaten van en verwijzingen naar professoren en andere auteurs die hun sporen al verdiend hebben. En die zeggen nogal vaak hetzelfde. Fetahaj doet dat ook. Als alle herhalingen geschrapt zouden zijn, zou het een dun boekje zijn geworden.
 

Aanklacht

De kern van dat boekje is een hartstochtelijke aanklacht tegen het grensbeleid van de staten van “het Globale Noorden”. Grenzen zijn per definitie een door de staten opgelegde beperking van de mobiliteit. Terwijl beperkingen op de mobiliteit van het financiële kapitaal gaandeweg grotendeels zijn afgeschaft en deze die het goederen- en dienstenverkeer limiteerden ook sterk zijn verminderd (al zou dat kunnen veranderen als het van Trump afhangt), wordt het (letterlijk) grensoverschrijdend gedrag van personen steeds strenger aan banden gelegd. Maar niet voor iedereen. Fetahaj merkt op dat het aantal grensmuren in de wereld gestegen is van 12 in 1989 naar 74 vandaag. Die worden niet gebouwd on toeristen of zakenlui buiten te houden. Grenzen discrimineren. Ze creëren een systeem van globale Apartheid, schrijft Fetahaj. Een systeem dat pretendeert kleurenblind te zijn maar in praktijk mensen verdeelt op basis van ras. Door de komst van raciaal anderen voor te stellen als een invasie, versterkt de staat het ‘wij’-gevoel en dus haar controle over de bevolking. Fetahaj stelt dat landen in het “Globale Noorden” niettemin weinig moeite doen om ongedocumenteerden te deporteren. Het komt hen goed uit dat deze laatsten een onderlaag van de arbeidersklasse vormen die, vanwege de angst om gedeporteerd te worden, extreem kan uitgebuit worden. “Het is de grens die mensen illegaal maakt, waardoor hun arbeid goedkoop wordt”, schrijft Fetahaj. Ze hekelt het Europese ‘humanisme’ dat als dekmantel dient voor een beleid dat alles behalve humaan is. Na de ramp bij Lampedusa in 2013 waarin 360 migranten omkwamen toen hun boot zonk, werden veel tranen geplengd. “En terwijl leden van de Eritrese regering – vertegenwoordigers van het regime dat de inzittenden van de boot waren ontvlucht – naar Sicilië overvlogen om de begrafenis bij te wonen, bleven de overlevenden noodgedwongen opgesloten”, vertelt Fetahaj. De doden kregen zelfs posthuum het Italiaanse burgerschap. “Tot migrant gemaakte mensen konden dus Italiaanse burgers worden – maar alleen na hun dood”.

Om dergelijke genante taferelen op haar drempel te vermijden sloot Europa akkoorden met Tunesie en andere landen die zich laten betalen om de migranten tegen te houden. Meer dan 30.000 migranten zijn in de Middellandse zee verdronken maar volgens Fetahaj’s bronnen sterven nu twee keer zoveel mensen in de Sahara als in de mediterrane regio.
 

Grenzeloos

Aan die aanklacht koppelt Fetahaj een pleidooi voor een ‘geen-grenzenbeleid’ dat evenwel uitmunt in vaagheid. Ze bedoelt daarmee iets dat verder gaat dan ‘open grenzen’, omdat “een wereld met open grenzen zonder globale rechtvaardigheid zinloos is”. Ze pleit voor “een maatschappij waar rechtvaardigheid en menswaardigheid geen holle begrippen zijn” en waarin de dwang om te emigreren verdwenen is. Maar wat dat is en hoe daar te geraken, dat weet ze niet. “Mensen willen een andere toekomst. Hoe deze toekomst er zal uitzien, weet niemand”. En: “Hoe we precies uit deze puinhoop raken is één groot vraagteken”.

Toch schrijft ze: “dat we ooit in een wereld zonder grenzen terecht zullen komen, is bijna onvermijdelijk.” Hoe weet ze dat? Omdat “geen enkele koloniale orde is blijven bestaan.” Waarmee ze zichzelf tegenspreekt, want elders – en doorheen heel het boek- schrijft ze dat er eigenlijk niets wezenlijk is veranderd; we leven in “een koloniaal continuüm”, “vandaag vervullen grenzen een vergelijkbare rol als het instituut van de slavernij tijdens de plantage-economie”, enz. Meer over die contradictie verder.

De obstakels die ze op de weg naar een grenzeloze wereld ziet zijn kolonialisme, neo-kolonialisme, post-kolonialisme, grenskolonialisme, raciaal kapitalisme, de witte wereld, de witte burgerlijke orde, witheid, het Globale Noorden. Al die termen lijken voor haar hetzelfde te betekenen, wat haar de moeite bespaart om ze te definiëren. Nochtans hecht ze veel belang aan correct taalgebruik (daarover meer in deze eindnoot 1 ).

Het is waar dat kapitalisme, kolonialisme en racisme nauw verweven zijn. Maar in plaats van ze zonder onderscheid op één hoop te gooien zou het interessanter zijn om te onderzoeken hoe ze tot elkaar in verband staan. Daarvoor moeten we ze eerst definiëren wat Fetahaj dus niet doet.
 

Hoe het begon

Kapitalisme is een sociale orde die diverse politieke vormen kan aannemen maar altijd stoelt op de symbiotische maar tegenstrijdige relatie tussen twee sociale klassen. Enerzijds de kapitalistische klasse die de productiemiddelen beheert en wiens functie het is om de nationale economie te doen groeien, om kapitaal te accumuleren, wat een dwang is, want wie niet of niet genoeg accumuleert verliest de concurrentiestrijd en zinkt. Anderzijds de arbeidersklasse, iedereen die geen productiemiddelen bezit en die zijn of haar arbeidskracht moet verkopen voor een loon. Zij is het die de groei, de accumulatie van kapitaal mogelijk maakt, omdat de waarde van wat ze produceert hoger is dan de waarde van de lonen.

Alvorens kapitaal-accumulatie op die basis kan gebeuren, moeten twee voorwaarden vervuld zijn. Er moet op voorhand een geacculumeerd kapitaal bestaan dat de kapitalistische productie kan in gang zetten. En er moeten arbeiders zijn, dat wil zeggen mensen die om te overleven gedwongen zijn om hun arbeidskracht te verkopen. De processen die die twee voorwaarden realiseerden, zijn wat Marx “de primitieve accumulatie van kapitaal” noemde, ter onderscheid van de “normale” accumulatie gebaseerd op loonarbeid. Het is “een accumulatie die niet het resultaat is van de kapitalistische productiewijze maar haar vertrekpunt”.

Wat die processen kenmerkt is dat ze steunen op geweld en de pre-kapitalistische sociaal-economische orde kapotmaken. Kapitaal vond arbeiders in de landen waar het industriële kapitalisme ontstond -in de eerste plaats Engeland – door de pre-kapitalistische landbouw te vernietigen waardoor de massa’s onteigenden gedwongen werden om werk te zoeken in de steden. 2  Zoals Marx schrijft, dat was geen vreedzame omwenteling: “de geschiedenis van deze onteigening is in de annalen van de mensheid geschreven met bloed en vuur”. 3  Nog gewelddadiger was wat al daarvoor begon: kolonialisme, het voornaamste instrument om het nodige kapitaal te accumuleren voor de industriële lancering.

De eerste fase van Westerse koloniale expansie ging bijna overal gepaard met plundering, genocide en slavernij. Marx vatte het zo samen: “De ontdekking van goud en zilver in Amerika, de uitroeiing, slavernij en opsluiting in mijnen van de inheemse bevolking van dat continent, het begin van de verovering en plundering van India, en de omvorming van Afrika tot een reservaat voor de commerciële jacht op zwarten, zijn allemaal dingen die de dageraad van de kapitalistische productie kenmerken. Deze idyllische handelingen zijn de belangrijkste momenten van de primitieve accumulatie”.4

Slavernij was essentieel voor het plantage-systeem. In Europa was er een tekort an mankracht, vooral in gevolge de miljoenen doden door de pest-pandemieen. Bovendien stierven witte contractabeiders in de eerste plantages als vliegen door tropische ziektes en verzetten ze zich tegen de dwangarbeid. In West-Europa was de slavernij toen grotendeels verdwenen en kon niet zomaar heringevoerd worden. De meeste mensen waren ‘lijfeigenen’, die een deel van het jaar voor hun baas (de feodale heer) werkten en voor de rest voor zichzelf en die land en water gebruikten dat van de gemeenschap was. Ze waren arm maar geen slaven. Voor hen waren er ook grenzen die voor de rijken niet bestonden. Grenzen die hen bonden aan hun land maar die hen ook rechten gaven.

Om de plantages te bemannen moest het kapitaal dus elders zoeken. In Afrika bestond een bloeiende slavenhandel. Over de geschiedenis en gewoonten van de diverse maatschappijen in Afrika voor de Europeanen er zich moeiden hebben we op school niets geleerd. Feit is dat in een groot deel van Afrika de slavernij nooit was verdwenen (en tot vandaag nog in sommige landen bestaat, zoals in Mauretanië). Vele samenlevingen in Afrika waren communautair, zonder sociale klassen. Andere waren feodaal, nog andere variaties daartussen. De meesten onder ons weten er schandalig weinig over. Maar goed. In die semi-feodale rijken hadden de machtigen, de beter begoeden, slaven, mensen wiens vrijheid was ontnomen, en verkochten slavenhandelaars hun waren aan Arabische klanten.

Afrikaanse slaven waren beter bestand tegen tropische ziektes dan Europeanen en beter bestand tegen Europese virussen (ontstaan door de veeteelt) dan inheemse Amerikanen. Ze kenden het klimaat en waren beter in staat dan witte dwangarbeiders om in hun eigen onderhoud te voorzien. En ze waren goedkoop. De vraag van Europees kapitaal naar slaven was zo groot dat de economie van vooral west-Afrika een grondige omwenteling onderging. Het waren niet de Europeanen die op slavenjacht gingen. Dat lieten ze over aan de locale specialisten. Wat die van de witten kregen in hun ruil voor hun vangst was meer dan wat ze door een andere activiteit konden verkrijgen, en dat was dus wat ze deden. De hele locale economie werd ontwricht. Akkers bleven onbewerkt omdat de boeren “geoogst” waren door slavenvangers. Vissersdorpen werden handelsposten in slaven.
 

De uitvinding van “ras”

Met twaalf miljoen werden ze de oceaan overgesleept. Een miljoen stierf onderweg. Vele anderen kwamen om in dodenmarsen en opstanden. Maar om de praktijk in eigen land te vergoelijken had het kapitaal een nieuwe ideologie nodig. Slavernij is taboe, dat was een grondregel van het sociale contract in west-Europa, dat hadden de onderdrukten in de loop der eeuwen veroverd en hadden de machthebbers toegestaan, want een lijfeigene die ook voor eigen rekening werkt is productiever dan een slaaf. Dus moest de grondregel aangepast worden: slavernij is weliswaar uitgesloten voor volwaardige mensen maar er bestaan ook mindere mensensoorten, herkenbaar aan hun andere huidskleur, op wie dat niet van toepassing is.

En zo werd “ras” uitgevonden. De theorie dat er verschillende soorten homo sapiens bestaan en dat de laagste soort, net boven de apen op de evolutionaire ladder, deze is met het hoogste aantal melaninecellen in hun huid. Een absurd idee, dat heeft de wetenschap intussen moeten erkennen. Maar een nuttig idee. Het gaf de witte Europeanen een vrijbrief om gekleurde mensen als vee te bezitten en te gebruiken zonder weerstand van hun eigen witte bevolking die zich door haar huidskleur beveiligd kon voelen tegen een dergelijke behandeling. Zo nuttig dat de katholieke en protestante kerken in hun bijbels allerlei bewijzen vonden dat het zo moest zijn, dat God het wilt, terwijl verlichtingsfilosofen racisme een pseudo-wetenschappelijke onderbouw gaven.5

Slavernij was niets nieuw maar op ras gebaseerde slavernij was dat wel. In de oudheid werden slaven niet beschouwd als een andere, laat staan lagere mensensoort. Hun huidskleur had geen belang. Die kon dezelfde zijn als die van hun meesters of niet.6  Maar in de kapitalistische slavernij was huidskleur allesbepalend, de visuele rechtvaardiging van de behandeling van mensen als lastdieren. Winst was de drijvende kracht. Slaven waren handelswaren die dienden voor de productie van handelswaren. De moderne slavernij was een integraal onderdeel van het jonge kapitalisme. Ze voeddde diens expansie en de plantages waren de voorafschaduwing van de fabrieken. 7
 

Portret van een slaaf

 

Invasie

Hoog aanbod (en dus lage prijs) van slaven + enorme vraag naar (en dus hoge prijs van) de producten van hun arbeid (meest van al: suiker) = hoge winst. Toch had de slavernij ook nadelen voor het kapitaal die duidelijker werden naarmate het kapitalisme in Europa zich meer ontwikkelde. Die ontwikkeling verhoogde de productiviteit, ook van de landbouw en bracht medische vooruitgang. Het gevolg was een bevolkingsexplosie. Van 150 miljoen in 1750 groeide de bevolking in Europa naar meer dan 400 miljoen in 1900, veel sneller dan in Azië en Afrika. En dat bracht een emigratiestroom op gang die zo massaal was dat in bijna alle delen van de wereld met een gematigd klimaat de bevolking nu van overwegend Europese afkomst is. “Settler kolonialisme” werd de dominante vorm van kolonialisme. In de 19de eeuw emigreerden ruim 60 miljoen Europeanen, waarvan 35 miljoen naar noord-Amerika. In tegenstelling tot de migratiegolf van vandaag was dat inderdaad een invasie. De autochtonen werden uitgeroeid of verjaagd naar schrale streken. Maar de doorsnee Europese emigrant van toen koos net als de doorsnee Afrikaanse emigrant van vandaag om de niet ongevaarlijke overtocht te maken omdat armoede en uitzichtloosheid hem daartoe aanzetten. De grens als obstakel bestond voor hem echter niet. 8  Tenzij hij van China kwam, zoals Fetahaj terecht aanstipt. Racisme bleef de ideologische onderbouw en rechtvaardiging van de kolonialisering.

Een derde vorm van kolonialisme ontstond in de late 19de eeuw. De streken geschikt voor settler kolonialisme waren ingenomen maar er waren nog grote delen van de wereld die daar niet voor geschikt waren, vanwege het klimaat of de densiteit van de inheemse bevolking. Maar daar waren wel grondstoffen, zoals Congo’s rubber, die de expansieve Europese industrie nodig had. Vanwege Europa’s militaire suprematie lagen die streken voor het grijpen. Toch kunnen economische motieven alleen de fameuze ‘Scramble for Africa’ en voor wat er in Azië nog te rapen viel niet verklaren. De nieuwe kolonies waren ook jachttrofeeen, statussymbolen voor de concurrerende Europese staten. Sommige kostten het “moederland” meer dan wat ze opbrachten. Andere leverden superwinsten op. Er werd naar hartelust geplunderd. Slavernij hadden ze daarvoor niet nodig. Integendeel. Wie slaven heeft moet ze onderhouden, anders verliest hij zijn bezit. Dwangarbeid is goedkoper. Bovendien werd de hele onderneming ingekleed als een filantropisch beschavingswerk. “Strijd tegen de slavenhandel” diende als dekmantel voor militaire expansie. Racisme bleef de onderstuttende ideologie maar er was een accent-verlegging van biologisch naar cultureel racisme. De inheemse bevolking werd voorgesteld als kinderen die dank zij hun Europese ouders een degelijke opvoeding krijgen. En een goede vader spaart de roede niet. Een kolonie vereiste dus een leger, politie, een administratie, kortom alles wat een staat nodig heeft. De kolonisering ontwortelde de bestaande economische en sociale verhoudingen en stelde er nieuwe in de plaats die het embryo van nieuwe staten werden.

 

Het systeem past zich aan

In 1807 werd de transatlantische slavenhandel verboden door Groot-Britannië en de VS.

In de eerste helft van de 19de eeuw werd de slavernij in de meeste landen afgeschaft.

Na de burgeroorlog werd de slavernij in 1865 in heel de VS afgeschaft.

In het kwart eeuw na de tweede wereldoorlog werden bijna alle kolonies onafhankelijke staten.

Dat zijn vier ingrijpende veranderingen. Fetahaj, hoewel ze beweert dat er wezenlijk niets is veranderd, bejubelt ze. Volgens haar “ kan [het] niet genoeg benadrukt worden dat de tot slaaf gemaakte mensen zelf aan de basis liggen van de afschaffing van deze onderdrukkende systemen.” Daar geeft ze helaas weinig voorbeelden of bewijzen van. De Haïtiaanse revolutie (1791-1804) wordt herhaaldelijk vernoemd als een grote triomf die “de definitieve genadeslag” toebracht “aan het lucratieve plantagesysteem”. Niet echt overtuigend als je weet dat de leiders van de Haitiaanse revolutie het plantagesysteem herinvoerden9 , compleet met lijfstraffen en dat de grootste bloei van het lucratieve plantagesysteem in Amerika toen nog voor de deur stond.

“De sociale druk was zodanig opgevoerd dat een verderzetting van de slaveneconomie gewoonweg onmogelijk werd”, schrijft Fetahaj. Sociale druk van wie, van waar? Dat vult ze niet in. Nu zal ik niet ontkennen dat de politieke druk van abolitionisten en de desertie en opstanden van slaven een rol hebben gespeeld maar het echte verhaal is complexer.

Je kunt je bijvoorbeeld afvragen waarom de VS in 1807 de import van slaven verboden met de steun van de machtigste slavenstaten zoals Virginia. Sociale druk? Niet van het soort waar Fetahaj aan denkt. In Virgina en andere staten van de “Old South” was de landbouwgrond uitgeput door monocultuur (vooral tabak) en niet geschikt voor de productie van “het wittte goud”, katoen. Die werd gekweekt in de “Deep South”, in de jongere, subtropische staten waar de vraag naar slaven groot was. Die staten waren tegen het importverbod maar konden het niet tegenhouden. Maar de binnenlandse slavenhandel werd niet verboden. Door het importverbod en de hoge vraag stegen de prijzen van slaven. De plantages van de Old South transformeerden in kwekerijen van slaven die verkocht werden aan de plantages van de Deep South. Zo bleef de slavenbevolking en snel groeien.

Nochtans was de slavernij toen wereldwijd in een neergang. Dwangarbeid was goedkoper en loonarbeid productiever. De uitzondering op die trend was het zuiden van de VS waar de katoenproductie in de eerste helft van de 19de eeuw een enorme expansie kende. Dit was een gevolg van technologische vooruitgang in de katoenverwerking. Katoen werd het voornaamste product van de snel groeiende Britse industrie en het zuiden van de VS werd haar bijna exclusieve leverancier, zowel vanwege de betere kwaliteit als wegens de afwezigheid van feodale en andere beperkingen. De heropleving van de slavernij in Amerika was dus een rechtstreeks gevolg van de industriële revolutie in Europa. Maar het noorden van de VS kende een heel andere ontwikkeling waardoor de belangen van de twee landsdelen tegenstrijdig werden. Het industrialiserende noorden, snel groeiend door de enorme immigratie, had nood aan mobiele arbeidskrachten, niet aan slaven gebonden aan de plantage. Het wou consumenten, klanten voor zijn producten, geen slaven die niets verdienden en niets kochten. Marx dacht dat de slavernij onvermijdelijk zou verdwijnen, ondanks de afhankelijkheid van de Engelse industrie van het katoen van de slavenplantages. In Grundrisse schreef hij “Zolang het kapitaal zwak is, steunt het nog steeds op de krukken van vroegere productiewijzen… Zodra het zich sterk voelt, gooit het de krukken weg en beweegt het zich in overeenstemming met zijn eigen wetten.”

Het conflict barstte open toen een groot deel van het westen van het continent gekoloniseerd was en als nieuwe staten werd toegevoegd aan het land. Het noorden was bereid om de slavernij in het zuiden te blijven gedogen maar duldde ze niet in de nieuwe staten. Maar het zuiden had nood aan land vanwege de uitputting van de grond in de katoenplantages. De standpunten waren onverzoenlijk. Het zuiden startte de oorlog, rekenend op de steun van Engeland en op de gehoorzaamheid van de slaven. Maar Londen koos voor het noorden, mede onder druk van de Engelse arbeidersklasse, en de slaven deserteerden massaal toen Lincoln hen in 1862 de vrijheid beloofde (de Emancipation Declaration). Alleen al vanwege de industriële overmacht van het noorden en de zeeblokkade die de uitvoer van katoen belette was het zuiden gedoemd om te verliezen.

Na de oorlog werd het zuiden een verarmd gebied. Een decennium lang (de zogenaamde Reconstruction Period) leek het nog alsof er echte verandering op komst was. Dan werd het raciale kastesysteem hersteld. In de periode die volgde (de “Jim Crow period”) was het lot van de zwarte landarbeiders in het zuiden in sommige opzichten nog slechter dan tijdens de slavernij. Toen kregen witten die een slaaf van iemand anders vermoordde de doodstraf want een slaaf was een kostbaar bezit. Maar toen zwarten ‘vrij’ werden konden witten hen vermoorden in de wetenschap dat geen jury hen zou veroordelen. Raciale segregatie was de wet en terreur was de methode waarmee de wet gehandhaafd werd. Geen wonder dus dat miljoenen zwarten naar het noorden en het westen migreerden waar de raciale discriminatie minder extreem was.

Door deze “Great Migration” en de honger naar werkkrachten van de snel groeiende industrie werd de bevolking in heel de VS steeds meer raciaal gemengd. Toch zou het nog tot halverwege de jaren 1960 duren eer de legale rassendiscriminatie werd afgeschaft. Extra-legaal bleef ze natuurlijk wel bestaan. Het kapitalisme kon de slavernij afschaffen, het kon de wettelijke segregatie verbieden. Het kan in zijn raden van beheer en instituten meer ruimte maken voor gekleurde mensen en vrouwen. Het kan standbeelden van racisten verwijderen, ‘blank’ vervangen door ‘wit’ , meer kleur in de media en de kunstwereld brengen en het gebruik van het n-woord verbieden. Het is flexibel op die manier. Maar het kan niet zonder racisme, dat is te essentieel. Want er is niets dat het meer vreest dan dat proleten van alle kleuren en etniciteiten samen vechten. Het zal nooit ophouden ras, etniciteit en religie te gebruiken als het een zondebok nodig heeft.
 

Onafhankelijke radertjes van de grote machine

Rond die tijd waren ook de meeste kolonies onafhankelijk geworden. Volgens Fetahaj alweer door sociale druk: “Een nationalistisch sentiment nam steeds meer bezit van de gekoloniseerde volkeren.” Een nationalistisch sentiment in naties die niet bestonden voor de koloniale machten de buit verdeelden en hun grenzen vastlegden, vaak met een meetlat. Een nationalistisch sentiment dat werd gedragen door de toplaag van inheemsen die een groot deel van het staatsapparaat bemanden, het filiaal dat Europeanen er hadden gevestigd. De druk kwam van hen maar toch vooral van de VS, de grote overwinnaar van de tweede wereldoorlog, voor wie de koloniale structuren hinderpalen waren voor zijn globale expansie. Daarom en wegens de hoge kosten van de koloniale infrastructuur en de gedaalde opbrengst, legden de koloniale machten, op enkele na, weinig enthousiasme aan de dag om hun bezit met hand en tand te verdedigen10 .

Nergens was de dekolonisatie een terugkeer naar de pre-koloniale sociaal-economische verhoudingen. In plaats daarvan kwamen er staten die zich gedroegen als alle andere. Staten die de productie en de armoede beheren, die een elite rijk en rijker maken, die opposanten de mond snoeren en die hun grenzen jaloers bewaken. De opgelegde koloniale handel was voorbij, elk land is nu gelijk op de wereldmarkt. Dat wil zeggen, elk land heeft het recht om zo duur mogelijk te verkopen en zo goedkoop mogelijk te kopen. Maar die gelijkheid verbergt een ongelijkheid in middelen om dat te doen. Productiemiddelen in gang zetten vereist kapitaal. Kapitalisme is een systeem van gedwongen vooruitgang. Wie niet mee kan, valt achterop. De landen waar het kapitaal al geconcentreerd is, waar zijn infrastructuur het meest is ontwikkeld, hadden een voorsprong die een voorsprong blijft en die de nieuwe staten veroordeelde tot een blijvende subsidiaire rol in de wereldeconomie. 11  Niet vanwege racisme maar vanwege de Adam Smith’s ‘onzichtbare hand’, de markt.

Fetahaj pleit voor “eerlijke handel”. Maar wat kan “eerlijke handel” betekenen in een wereld waar de markt regeert? Dat klanten uit het “Globale Noorden” leveranciers uit het “Globale Zuiden” meer gaan betalen uit schuldbesef? De markt haalt zijn schouders op over morele principes. Wie goedkoper produceert wint, wie duurder produceert verliest. En om goedkoper te produceren heb je telkens meer kapitaal nodig. Heb je dat niet, dan kan alleen de wet van vraag en aanbod je helpen. Zo werden olielanden rijk door de eindeloze energiehonger van de tot groei gedwongen kapitalistische wereldeconomie.
 

Zuiderse grenzen

Fetahaj zwijgt over de sociale tegenstellingen in het ‘Globale Zuiden’, het lijkt alsof die niet bestaan. Haar boek gaat over grenzen maar enkel over de grenzen van het ‘Globale Noorden’ en vooral dan die van “Fort Europa”. Over de grenzen van het “Globale Zuiden”, geen woord. Nochtans zijn die even discriminerend. In Zuid-Afrika worden migranten uit Zimbabwe en Mozambique opgejaagd en opgesloten. In de Dominicaanse Republiek ondergaan Haitiaanse migranten hetzelfde lot. Soms zijn er zelfs grenzen in het land zelf. In China bestaat een pasjessysteem (het “Hukou” registratiesysteem 12 ) waardoor arbeiders uit het binnenland minder rechten hebben in de kustprovincies. Als ze hun baan verliezen mogen ze zelfs niet ter plaatse blijven, dan hebben ze even weinig rechten als ongedocumenteerde migranten in de VS of Europa. En ga zo maar door.

Vaak wordt ook in het “Globale Zuiden” racisme gebruikt tegen migranten of tegen minderheden die men kwijt wil. Racisme in de brede zin, niet enkel op huidskleur gebaseerd; de catalogisering van hele bevolkingsgroepen als “anders”, vijandig, minderwaardig. Tutsi’s in Rwanda. Rohingya in Myanmar. Moslims in India. Zwarten in Darfur. Uyghurs in China. En ga zo maar door.

Hoe belangrijk grenzen zijn in het “Globale Zuiden” blijkt wel uit de oorlogen die er over gevoerd worden. Tussen China en Rusland, China en Vietnam, India en Pakistan, Iran en Irak, Irak en Koeweit, Ethiopië en Eritrea, Soedan en Zuid-Soedan, Armenië en Azerbijan, Indonesië en Oost-Timor, Rwanda en Congo, Argentinië en het VK. En ga zo maar door.

Nee, wacht. Dat laatste voorbeeld, die oorlog over de godvergeten Falkland eilanden, past niet in het rijtje want het was een conflict tussen het ‘Globale Noorden’ en het ‘Globale Zuiden’; dus moeten we de kant van de Argentijnse generaals kiezen. Dat schrijft Fetahaj niet, dat deduceer ik uit haar grondstelling die alles reduceert tot de onderdrukking van het ‘Globale Zuiden’ door ‘het Globale Noorden’ en en ons oproept om de kant van het zuiden te kiezen.

Ook deze termen definieert Fetahaj niet. We mogen aannemen dat ze niet puur geografisch zijn. Ik vermoed dat haar concept van “het Globale Noorden” er ongeveer zo uitziet:
 

Of misschien zou ze daar Zuid-Korea, Taiwan, Singapore en Israel aan toevoegen. En wat met de vroegere “tweede wereld”? Is Rusland Zuid of Noord? En de rijke oliestaten? En China, nu de grootste industriemacht ter wereld en de grootste schuldeiser van Afrika ?

Kapitalisme is een wereldorde, een systeem waar alle landen deel van uitmaken. Het is het geheel dat zijn inherente logica oplegt aan alle delen. Kapitaal-accumulatie is overal het doel, want het is de sleutel tot macht en rijkdom. “Normale” uitbuiting van de werkende mensen is overal het middel, aangevuld door bruut geweld en imperialisme. Dit laatste is vandaag niet enkel een praktijk van het ‘Globale Noorden’, al zijn de traditionele Westerse grootmachten het best geplaatst om ze toe te passen. Maar aangezien het systeem op concurrentie berust is bijna elk land daadwerkelijk of potentieel imperialistisch.
 

De planetaire breuklijn

In elk land gaapt een kloof tussen de klasse die de politieke en ekonomische macht bezit en de rest van de bevolking. In het ‘Globale Zuiden’ niet minder dan in het noorden, integendeel. De kloof tussen rijk en arm is veel groter in landen als China, Zuid-Afrika en Brazilië dan in België, Frankrijk of Duitsland. En overal gebruikt de heersende klasse nationalisme om de rest van de bevolking te overtuigen dat alle burgers in haar territorium dezelfde belangen hebben als zij en dezelfde gemeenschappelijke buitenlandse vijand. Maar Fetahaj bedekt de sociale tegenstellingen in het “

‘Globale Zuiden’ met de mantel der liefde. Ze negeert ze ook wat het ‘Globale Noorden’ betreft: als witten zijn we allen medeplichtig aan de onderdrukking van Zuid door Noord. Iedereen, ongeacht zijn of haar sociale positie, geniet van “de Witheid”, “elke witte bouwt eraan mee (…) Witheid biedt ons steeds opnieuw de nodige basis om ons geweten te sussen en onze medeplichtigheid te verdoezelen.”

Dat kapitalistisch wereldsysteem is vandaag in een diepe krisis. Het heeft een fantastische groei van het menselijke productievermogen tot stand gebracht maar die kan niet gebruikt worden om de menselijke problemen op te lossen want niet noden maar winst bepaalt wat en waar geproduceerd wordt. Aan noden tegemoet komen gebeurt slechts als het een middel is om dat doel te bereiken. Daarom nemen overproductie en armoede hand in hand toe.

Informatie-technologie en de automatisering die ze mogelijk maakt zijn winstgevend, niet alleen omdat ze nieuwe producten doen ontstaan maar vooral omdat ze arbeidstijd uitsparen en dus de waren van hen die er het nodige kapitaal in kunnen investeren goedkoper maken dan die van hun concurrenten. Die concurrenten moeten meedoen of verzuipen. In een context van globale overproductie betekent dit dat er steeds meer arbeidskrachten overbodig worden, geen plaats krijgen in de mondiale produktieketen. Maar niet overal in dezelfde mate. Veel minder daar waar het kapitaal geconcentreerd is en een technologische voorsprong heeft, terwijl de bevolking er vergrijst (de ‘witte’ bevolkingsexplosie eindigde met de baby boomers). Des te meer waar de bevolking jong is en de vooruitzichten somber zijn. Precies omdat “normale” uitbuiting daar vaak niet meer winstgevend is wegens gebrek aan kapitaal, neemt “abnormale” uitbuiting -korruptie, roof, dwangarbeid – er toe. Het eerste gebod voor elke kapitalist is winst maken, op elke mogelijke manier. Ook slavernij neemt toe. Er waren nooit zoveel slaven in de wereld als vandaag.13

De stroom van migranten van zuid naar noord zal dus nog toenemen omdat haar oorzaak, de globale krisis, dat ook zal doen. Het doel van de regeerders is niet om die stroom stop te zetten, ze hebben de arbeid van de migranten nodig. Maar ze willen de arbeidsmobiliteit beheren, werkkracht inschakelen of uitschakelen naar gelang hun noden. Zelfs Trump, de prima donald in het koor van migrantenhaters, is ondanks zijn retoriek niet van plan om miljoenen ongedocumenteerden te deporteren. De Amerikaanse economie kan niet zonder hen. Maar hij wil wel duizenden deporteren om angst te zaaien en zo de ongedocumenteerden meer kwetsbaar en uitbuitbaar te maken, om verdeeldheid te zaaien in de arbeidersklasse want ‘divide et impera’, en om nationalisme aan te wakkeren, dat wil zeggen werkende mensen het geloof inprenten dat werkende mensen die van elders komen zonder de juiste papieren hun vijand zijn en de miljardairs die hen uitbuiten maar die van hier zijn hun vriend.

Trump en zijn geestesgenoten noemen de migrantenstroom “een invasie”, wat Fetahaj terecht hekelt. Maar dat idee is in feite gebaseerd op hetzelfde vertrekpunt als dat van Fetahaj: het fundamentele conflict in de wereld is de breuklijn tussen het globale noorden en het globale zuiden. Uiterst rechts concludeert daaruit dat het noorden zich moet verdedigen tegen de invasie, tegen de “Islamisering van Europa” etc. Fetahaj concludeert dat het zuiden vragende partij is en het noorden de immigranten moeten verwelkomen want “hun aanwezigheid, zo stelt Walia, is een vorm van dekoloniale herstelbetaling. Ze zijn de schuldeisers die richting het Noorden trekken om de (historische) schulden te innen die deze ‘overontwikkelde’ landen hun herkomstlanden verschuldigd zijn”. Hoe de migrant-arbeiders schulden innen door in het Noorden uitgebuit te worden is mij een raadsel. Fetahaj lijkt niet te begrijpen dat de breuklijn door alle landen loopt. Door te insisteren dat het over een Noord-Zuid conflict gaat bevestigt ze het anders zijn van de migranten. Voor rechts zijn het indringers, voor Fetahaj rechtmatige schuldeisers. Beide voorstellingen zijn fout. Arbeiders in het Noorden moeten solidair zijn met migrant-arbeiders, niet uit schuldgevoel maar omdat ze dezelfde belangen hebben en dezelfde tegenstanders. Als dat niet duidelijk wordt zullen we nergens geraken.

Maar het woord klassesolidariteit komt niet voor in haar boek. Wel “morele plicht” en “geweten”. Maar dat zijn geen argumenten waarmee je migranten en niet-migranten gaat overtuigen om samen te vechten, zeker niet als je hen vertelt dat het gaat over de onderdrukking van het Zuiden door het Noorden en dat alle witten daaraan medeplichtig zijn.
 

89 seconden voor middernacht

De toestand begint kritiek te worden. De kapitalistische wereld staat op een ramkoers naar oorlog en ecologische verwoesting. Meer geld creëren, meer schulden opstapelen is het enige wat de regerende klasse kan bedenken. Meer olie en gas verbruiken is haar antwoord op de klimaatkrisis. Overproductie en een dalende algemene winstvoet doen de economische concurrentie omslaan in militaire concurrentie. De Doomsday Clock staat op 89 seconden voor middernacht, liet The Bulletin of Atomic Scientists deze week weten. Volgens deze organisatie is het gevaar dat de mensheid zichzelf zal vernietigen nooit groter geweest.

De kapitalistische klasse kan die problemen niet oplossen, net zo min als een dier tegen zijn eigen instincten kan ingaan. Een alternatief, een aanzet naar een andere wereld, kan enkel komen van buiten de regerende klasse en haar politieke entourage,in het zuiden zowel als in het noorden. Alleen een autonome opstand van de werkende klasse die de grote meerderheid van de maatschappij uitmaakt kan ons op weg zetten. Toegegeven, daar zijn we nog lang niet aan toe. Misschien moet de krisis nog veel dieper worden eer de noodzaak duidelijk wordt. Zeker is dat de verwerping van nationale, raciale, ethnische en andere opgelegde verdelingen een vereiste is.

Fetahaj schrijft: “In tijden van toenemende gemilitariseerde grenzen, groeiende mondiale ongelijkheid, wereldwijde klimaatrampen en technologisch gestuurde onderdrukking, wordt de zoektocht naar een andere manier van samen-zijn alsmaar urgenter.” Daar heeft ze gelijk in. Maar op die zoektocht is ze verdwaald. Er is een contradictie in haar boek waar ze zich niet bewust van lijkt. Ze pleit voor een maatschappij zonder grenzen maar ook voor nationalisme. Ze schrijft: “Voor het einde van de achttiende eeuw waren er zelfs nog geen duidelijke landsgrenzen. Nationale identiteiten moesten nog uitgevonden worden. Dit gebeurde met behulp van vlaggen, volksliederen, ideologieën, herlezingen van de geschiedenis en taalkundige conformering. De globalisering van het systeem van natiestaten kwam er zelfs pas na de Tweede Wereldoorlog. Nationale grenzen zijn dus relatief recente creaties. En belangrijker: het betekent dat ze ook van tijdelijke aard kunnen zijn.” En: “In plaats van te streven naar een ‘rechtvaardig’ en ‘humaan’ immigratiesysteem, moeten we grenzen radicaal afwijzen”. Maar ook: “dat het nationalisme onverenigbaar is met het internationalisme, klopt dus langs geen kanten.” Die tegenstelling is absurd. Naties impliceren grenzen, grenzen impliceren naties en nationalisme. Je kunt de twee niet scheiden. Naties zijn, zoals Fetahaj benadrukt, “geen natuurlijke creaties”, ze zijn de bouwstenen van de op concurrentie gestoelde kapitalistische wereld. Haar voorbeeld van de verzoenbaarheid van nationalisme en internationalisme betreft een poging tot samenwerking tussen Afrikaanse landen om hun concurrentiepositie op de wereldmarkt te verbeteren. Dat is het soort coalitievorming dat courant is in de kapitalistische wereld. Ze werken samen of schieten elkaar in de rug, naar gelang het hen uitkomt. Dit is geen internationalisme, net zo min als de Europese Unie 14  of andere vormen van supra-nationale samenwerking dat zijn. Internationalisme is anti-nationalistisch ofwel betekent het niets. Je kunt geen nieuwe wereld bouwen zonder de bouwstenen van de oude wereld omver te gooien.


Over grenzen schreef ik eerder in
het Salon dit: OPEN GRENZEN!
1. “We hebben nog een lange weg te gaan, maar stilletjes aan slagen we er steeds beter in om ons verleden en het woordgebruik uit het verleden kritisch te evalueren”, schrijft Fetahaj. Daarom gebruikt ze in plaats van “slaven” “tot slaaf gemaakte mensen”. En als we nu eens een woord uitvonden dat hetzelfde zegt maar bondiger? Wacht, dat woord bestaat al. Juist, ‘slaven’. Er zijn geen slaven die geen tot slaaf gemaakte mensen zijn, behalve misschien in SM-clubs en dan nog. En in plaats van ‘migranten’ moeten we voortaan “tot migrant gemaakte mensen’ zeggen. Daar valt iets voor te zeggen want in tegenstelling tot slaven zijn er vrijwillige en onvrijwillige migranten. Maar toch, het is een mondjevol. Maakt de context niet duidelijk over welke soort migranten het gaat? In plaats van ‘zwarten’ of ‘gekleurde mensen’, moeten we ‘geracialiseerde mensen’ gebruiken. Dat is niet alleen een onhandige maar ook een manke formulering want wie een ander racialiseert, racialiseert ook zichzelf. Mensensmokkelaars heten voortaan “migratiemakelaars”. Zij “ondersteunen tot migrant gemaakte mensen in hun initiatieven. Het is een daad van verzet tegen de onderdrukkende structuren van het grenskolonialisme.” Wel, soms misschien. Het lijkt me toch vooral een business. Een business waarin de wanhoop van de migranten soms schandalig misbruikt wordt. Dit is de grondregel in onze maatschappij: valt er geld mee te verdienen dan gebeurt het. Anders (meestal) niet. Dus is “migratiemakelaars” geen slechte omschrijving. Toch is mensensmokkelaars even correct want dat is wat die migratiemakelaars doen: ze smokkelen mensen.
2. De “enclosures” “the removal of common rights that people held over farm lands ”. Mingay, G.E. (2014). Parliamentary Enclosure in England. Routledge. ISBN 978-0-582-25725-2.
3. Het Kapitaal, Boek 1, Hoofdstuk 24
4. Het Kapitaal, Boek 1, Hoofdstuk 31
5.  Over de rol van de Verlichting in de creatie van “ras”, zie Loren Goldner: Race and the Enlightenment From Anti-Semitism to White Supremacy Part 1 -1492-1676 and part 2:The Anglo-French Enlightenment and Beyond
6. “Racism rests on two basic assumptions: that a correlation exists between physical characteristics and moral qualities; that mankind is divisible into superior and inferior stocks. Racism, thus defined, is a modern conception, for prior to the XVIth century there was virtually nothing in the life and thought of the West that can be described as racist. To prevent misunderstanding a clear distinction must be made between racism and ethnocentrism … The Ancient Hebrews, in referring to all who were not Hebrews as Gentiles, were indulging in ethnocentrism, not in racism. … So it was with the Hellenes who denominated all non-Hellenes—whether the wild Scythians or the Egyptians whom they acknowledged as their mentors in the arts of civilization—Barbarians, the term denoting that which was strange or foreign”. Dante A. Puzzo, “Racism and the Western Tradition”. Journal of the History of Ideas. (1964) ]
7. “By gathering the workers under one roof, and subordinating them to one discipline, the new industrial employers were able to garner the profits of industrial co-operation and invigilation – as it were adapting the plantation model (which is why people came to speak of steel ‘plants’).” Robin Blackburn, “the Making of New World Slavery”, Verso 1997 p.565
8.  “An Englishman, without passport or papers, health certificate or any other documentation – without luggage for that matter – could plunk down £10 at a shipping counter in Liverpool and go aboard. He got nothing but water on board and had to providehis own food. He might go down to the bottom but, if lucky, in due course he went ashore in New York, no one asking who he was or where he was going. He then vanished into the entrails of the new society. Many could not affors the £10. They went on subsidized ships to Canada (…)There was no control and no resentment at any of those arrivals”. Paul Johnson, “The birth of the modern”, Harper Collins 1991, p.204
9.  [Dessalines] “proclaimed the mastery of the state over the individual and consequently ordered that all laborers would be bound to a plantation.His chief motivator was production, and to this aim he granted much freedom to the plantations’ overseers. Barred from using the whip, many instead turned to lianes, which were thick vines abundant throughout the island, to persuade the laborers to keep working. Many of the workers likened the new labor system to slavery”. https://en.wikipedia.org/wiki/Haitian_Revolution
10.  De uitzonderingen waren landen waar een grote minderheid van Europese settlers was gegroeid (Zuid-Afrika, Algerije..)
11.   Enkele konden zich loswrikken uit die rol en een kapitaal-accumulatie realiseren die hen toeliet de club van hoog-ontwikkelde landen te vervoegen. China is het spectaculairste voorbeeld. Het slaagde daarin in de eerste plaats door de efficiente organisatie van de uitbuiting van de arbeidersklasse. Een uitzonderlijk kapitalistisch sukses, ironisch genoeg bewerkstelligd door een staatsapparaat dat zichzelf “kommunistisch” noemt maar mogelijk gemaakt door de globalisering van de kapitalistische produktie, de combinatie van moderne technologie en goedkope arbeidskacht gedisciplineerd met de hulp van Stalin en Confucius.
12.  “The Hukou system is designed to meet several objectives: the artificial determination of the value of labor power on the industrialized coast by the conditions of the hinterland; to create a division within the working class; to make workers vulnerable to intimidation and prevent the migration from the interior becoming an avalanche. “ Sander, “Will China save Capitalism? International Perspective 55 , 2011. Meer over het Hukou-systeem HIER.
13.  Het aantal slaven vandaag varieert van ongeveer 22 miljoen tot 50 miljoen (waarvan een vierde kinderen), afhankelijk van de gebruikte methoden om slavernij te schatten en te definiëren. Het hogere aantal omvat alle vormen van dwangarbeid, inclusief arbeid van beperkte duur, dus eerder vergelijkbaar met contractarbeid dan met slavernij (maar deze laatste komt ook voor). Slavernij bestaat in elk land ter wereld. Volgens de Global Slavery Index zijn de landen met het hoogste absolute aantal mensen in moderne slavernij India, China en Pakistan, landen met grote aantallen hongerige mensen die overbodig zijn voor het kapitaal. Maar dwangarbeid bestaat ook in Europa en Amerika, zoals in het Amerikaanse gevangenissysteem, zowel in de door de overheid beheerde gevangenissen als in de privégevangenissen. De dwangarbeid van gevangenen in de VS levert meer dan 1 miljard dollar per jaar op. Zogenaamde “kommunistische” landen scoren ook hoog op de slavernij-schaal. De Global Slavery Index schat dat er 3,8 miljoen slaven zijn in China en 2,6 miljoen in Noord-Korea. Wereldwijd wordt geschat dat dwangarbeid elk jaar 150 miljard dollar oplevert. De sectoren waarin dwangarbeid het meest voorkomt zijn landbouw, de bouwindustrie, mijnen,visserij, textielfabrieken, huishoudelijk werk en sekswerk.
14.  Over de Europese eenmaking heeft Fetahaj een merkwaardige theorie: “ [het project] ontstond in een poging om de nakende dekolonisatiegolf van Afrika te counteren via een nieuwe tegenmacht op Europees niveau.” Een gedurfde hypothese, die verder niet geargumenteerd wordt.

 


BRON
Salon van Sisyphus1 februari 2025


 

 

Uitgelichte foto: © Bingdian / Getty Images – bron

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.