Terugkeer naar het behekste centrum

Stefan Zweig: “Mais quel instant inoubliable que celui où je me retrouvai dans mon enfer, enfin seul, et cependant en cette précieuse compagnie. (Le joueur d’échecs)


Geplaatst op 23 maart 2020 en terug gedateerd


We leven in tijden waar domheid regeert en de gezondheidszorg tot nieuwe religie is verklaard. Zeg ik het juist? Het is me een gruwel dat halve analfabeten de toon zetten in het publieke debat dankzij internet. Vandaar dat ik een verzoek aan u heb. Heeft u er bezwaar tegen als ik dit bericht op mijn weblog plaats?

Vijf jaar geleden stelde ik die vraag. Spijtig genoeg werd er niet op gereageerd. Vanwege de pandemie neem ik het alsnog over.


edelhart kempeneers


Onlangs was het weer zover. Ik werd weer naar het beruchte centrum-dat-ik-niet-nader-bij-naam-zal-noemen gestuurd. Het was alweer een jaar of zo geleden dat ik er ingepland was, dus was ik alle tegenslag allang weer vergeten. MTV-generatie, weet je wel. Korte termijngeheugen en zo. Of het zal lange termijngeheugen zijn. Ik ben het vergeten.

Enfin, alles is tot dusver goed verlopen. Er zijn slechts een handvol werknemers komen opdagen, dus ik ben behoorlijk in mijn nopjes. De verpleegster en ik zijn al begonnen met inpakken. Het is net over half twaalf en er staat nog iemand om half twaalf op de planningslijst, maar het kan nooit kwaad om alles op tijd uit de weg te hebben.

Zie je, bij het laatste onderzoek gebruik ik steevast de stelregel van het academisch kwartiertje. Als de laatst geplande werknemers een kwartier na hun afspraak nog niet zijn komen opdagen, hebben ze voor mij hiermee indirect te kennen gegeven dat het onderzoek voor hen eigenlijk niet zozeer hoeft. Ik sta dan de laatste minuten vol spanning klaar met mijn hand op klink van de deur en met mijn blik vastgelijmd op mijn horloge. Wachtend tot de secondewijzer heeft afgetikt tot klokslag het kwartier. En dan sleur ik de deur open en maak me met een rotvaart uit de voeten. Vroeger maakte ik de fout om pas nà dat academisch kwartiertje alles op te ruimen en in te pakken. Zo heb ik het al verschillende malen meegemaakt dat ik op een vrijdagavond om vijf voor vijf de verpleger nog een prettig weekend sta toe te wensen. Jas aan. Koffer in de hand. En dan komt toch nog de afspraak van half vijf het onderzoekscentrum binnen geslenterd met een verdwaasde blik op het acneïforme aangezicht. “Moet ik hier zijn voor het aanwervingsonderzoek?” is dan de noodlottige vraag. “Ja, maar wel behoorlijk te laat,” antwoordt dan de verpleger of ik, afhankelijk van wie eerst van de schok bekomen is. Meestal de verpleger. “Ik heb moeten zoeken” is doorgaans het afgezaagde excuus van de laatkomer. En dan kan ik stampvoetend terugkeren naar het onderzoekslokaal, en wachten totdat de verpleger het dossier heeft geopend, de vragenlijst heeft afgedrukt en laten invullen, de gehoortest en de longfunctiemeting heeft uitgevoerd, het urinestaal en de ogentest, de familiale en algemene anamnese. En hierna kan ik met venijnige blik de systeemanamnese uitvoeren, de medische voorgeschiedenis navragen, en het klinisch onderzoek uitvoeren, ondertussen herhaaldelijk giftig opmerkend dat hij de volgende keer best op tijd mag komen.

Maar goed, terug naar het vervloekte centrum. We zijn dus al wat aan het opruimen, wanneer de laatste werknemer van de voormiddag toch nog komt aangedrenteld. “Moet ik hier zijn?” vraagt ze onbezorgd. Geen probleem, ze is slechts een vijftal minuten te laat, kan gebeuren. Het is slechts met een milde tic aan mijn onderste ooglid dat ik mijn stethoscoop en bloeddrukmeter, nog maar net zorgvuldig in mijn koffer geplaatst, terug op de onderzoekstafel smijt.

Na een kwartier of zo heb ik alles waarmee ik kan smijten wel gesmeten, en begint mijn mantra “happy happy joy joy” ook aan effectiviteit in te boeten. Ik begin me af te vragen hoelang het in godsnaam nog gaat duren bij de verpleegster. Dus sluip ik naar de deur langs het verpleeglokaal en plaats mijn oor in de onmiddellijke nabijheid van het deurpaneel. En nee, ik gebruik niet mijn stethoscoop hiervoor. In tegenstelling tot populair geloof kun je met een stethoscoop geen gesprekken afluisteren. Geloof me, ik heb het vaak genoeg geprobeerd. Enfin, ik versta dus geen jota van wat er gezegd wordt, maar ik hoor wel dat een van de gesprekspartners de stem behoorlijk verheft. En met verbazing merk ik dat het de stem van de verpleegster is. Nu moet je weten, dat dit nu net een heel vriendelijke verpleegster is. Ik ben natuurlijk behoorlijk benieuwd naar wat deze verpleegster kan omtoveren tot een tierende furie.

Ik ga het lokaal binnen. “Is er een probleem?” vraag ik minzaam. De getergde verpleegster kijkt me met bloeddoorlopen ogen aan en zegt: “Mevrouw wil geen intradermotest laten uitvoeren. Ik heb al twee spuiten opgetrokken, omdat mevrouw eerst niet geloofde dat ik een zuivere naald gebruikte, en nu zegt ze dat ze ook die tweede spuit niet wil laten plaatsen.” “Ach zo?” antwoord ik, en trek mijn wenkbrauwen verbaasd op, op de manier van “waarom zou iemand zo iets ongehoord doen”. Ik dacht eerst mijn wenkbrauwen op te trekken op de manier van “wat zeg je me nou?”, maar de eerste optie leek me meer gepast voor de situatie. Ik oefen deze gelaatsuitdrukkingen voor de spiegel. Momenteel ben ik aan het oefenen op “wel wel, uw levertesten zijn opnieuw behoorlijk gestegen. Kon u weer niet van de pintjes afblijven?” Dat is een combinatie van kortdurend de wenkbrauwen op te heffen, de ogen hierna even te vernauwen, en ondertussen de lippen mild afkeurend te tuiten.

In ieder geval, ik doe dus mijn “waarom zou iemand zo iets ongehoord doen”-wenkbrauw-manoeuvre, en de werkneemster reageert verbolgen. “Ik begrijp niet waarom ik die test zou moeten ondergaan. Niemand heeft mij hier op voorhand voor gewaarschuwd.” Een krankzinnig moment lang geloof ik dat de vrouw denkt dat de intradermotest een soort van toets is, waarvoor je moet studeren. En dat ze verontwaardigd is over het feit dat ze geen tijd heeft gekregen om te blokken. Maar ze ontkracht deze gedachtekronkel door eraan toe te voegen: “Ik ben principieel tegen alle vaccinaties.”

Er zijn een aantal dingen die me op mijn paard krijgen. Te laat komen is een ervan. Ik krijg ook het hier-en-ginder van “It’s a big big world” van Emilia, van de tv-reeks “Clean House”, of van het overmatig gebruik van leestekens (zoals bvb. in “Dat is raar!!!”) . Maar ik krijg pas écht het vliegend je-weet-wel-wat van zelfvoldane betweters die idiote uitspraken doen zoals “ik ben principieel tegen alle vaccinaties”. (nvda: ik heb over dit onderwerp al gefulmineerd in De vaccinatiemaffia en Belgische Polio).

“Het probleem is, mevrouw,” zeg ik op een koele toon, “dat de intradermotest verplicht is.” Ik laat dat even bezinken. “Bovendien,” voeg ik er op lichtere toon aan toe, “is het eigenlijk geen vaccinatie, maar enkel een screening op tuberculose.” Ze wil er niets van weten, en begint op te werpen dat het ook een vloeistof is die wordt ingespoten, dus dat het evenzeer het lichaam binnenkomt. “Weet je wat,” zeg ik uiteindelijk, “kom mee naar het dokterslokaal.” En zo geschiedt.

Ik ben in een goede bui, nog resterend van de onderzoekenluwe voormiddag en het onderzoekenvrije weekend, en probeer toch in te spreken op de redelijkheid van de werkneemster.
Ik: “Met deze test kan u zien of u blootgesteld bent aan tuberculose.”
Zij: “Kun je dan geen longfoto nemen?”
Ik: “Daar kun je enkel een actieve tuberculose mee vaststellen. Een intradermotest is veel gevoeliger. Bovendien komt bij een longfoto toch een zekere stralingsdosis kijken.”
Zij: “Het kan mij niet schelen of ik tuberculose heb.”
Ik: “Maar die test dient niet alleen voor u. Tuberculose is zeer besmettelijk. Ook uw collega’s moeten beschermd worden indien u tbc zou hebben.”
Zij: “Ik wil geen giftige stoffen ingespoten krijgen in mijn bloed.”
Ik: “De test is onderhuids. Er worden geen gifstoffen ingespoten, het zijn eiwitten waarvan het lichaam denkt dat het tuberkelbacillen zijn, maar dat is niet het geval. Je kunt het eerder vergelijken met een allergietest. Je krijgt meer gifstoffen te verduren bij een muggenbeet.”
Okee, dat laatste heb ik gewoon uit mijn duim gezogen, maar ik ben op dit punt ten einde raad. Na ruim een kwartier van inspreken op de vrouw door het naar voren brengen van redelijke argumenten, blijft ze toch bij haar weigering.
“Ik geloof niet in vaccinaties,” zegt ze vol overgave. “Ik geloof in natuurlijke geneeswijzen. Ik doe aan yoga. En ik gebruik enkel homeopathische middelen.”
“Dat is zeer mooi, mevrouw. Maar dat doet hier niet ter zake.”
“Kan ik om religieuze redenen weigeren?”
En dat is de spreekwoordelijke druppel. “Mevrouw, hier heb ik geen tijd voor,” zeg ik gepikeerd. “Ik zet op uw formulier dat u de intradermotest geweigerd heeft. Tot ziens.”
“Nou,” zegt de vrouw wat uit de hoogte, “U hoeft niet boos te worden.”
“Ik ben niet boos, mevrouw. Maar hier heb ik geen tijd voor. Tot ziens.”
“Maar heeft u dan iets tegen homeopathie?”
Deze vrouw heeft ondertussen al meer dan een half uur van mijn kostbare tijd verkwanseld. Ze werkt me nu zodanig op mijn zenuwen, dat ik ronduit zeg: “Mevrouw, homeopathie is kwakzalverij. Tot ziens.” Dit zeg ik in de hitte van het moment. Ik vind homeopathie natuurlijk niet echt kwakzalverij. Of ja, eigenlijk toch wel.
“Ach, is dat zo?” zegt ze heftig. “Wat is uw naam?” Ondertussen ben ik al volop aan het inpakken.
“Mijn naam is dokter Kempeneers, mevrouw.” Deze naam vult ze naarstig in haar notitieboekje, ongetwijfeld om me een dankbriefje te sturen omwille van mijn kristalheldere synthese over homeopathie. “Hier komt nog een staart aan,” zegt ze nog.
“Prima, mevrouw.”
“En gelooft u dan ook niet in de geneeskracht van yoga?”
Ik weet het wel, om een gesprek af te sluiten mag je niet meer ingaan op verdere vragen en opmerkingen. Maar ik vind die vraag zo ongelooflijk krankzinnig, dat ik toch weer in de zinloze dialoog getrokken word. “Mevrouw, ik heb nog nooit gehoord dat iemand dankzij yoga genezen is van kanker.”
“Ja, kanker,” antwoordt ze verontwaardigd. “Er zijn nog andere aandoeningen dan kanker hoor.”
“Mevrouw,” zeg ik wanhopig. “Wilt u alstublieft ophouden met mijn tijd te verdoen en weggaan?”
“U hoort nog van mij!”
“Dat is fantastisch. Tot ziens.”
En ongelooflijk maar waar, ze keert zich om en verlaat het lokaal.

Ik ga naar het lokaal van de verpleegster, die ondertussen geduldig heeft zitten wachten, en zeg haar dat ze ook alles mag opruimen. Terwijl ze alles inpakt, wisselen we onze wedervaren met het ongelooflijke mens nog uit. De verpleegster is behoorlijk verontwaardigd dat ze twee dosissen tuberculine heeft verspild aan de vrouw. Maar dan plots, als een duivel-uit-het-doosje, duikt de yogafanaat terug op!
“Ah nee, is ze weer daar!” roep ik vertwijfeld uit.
“Ja, ik ben weer daar,” antwoordt ze triomfantelijk. “Want ik heb een urinestaal moeten afleveren, en ik weet niet eens wat ermee gedaan wordt.”
“Zeg mevrouw, alstublieft!” zegt de getergde verpleegster nu.
“Ja, ik heb toch het recht om dat te weten? Daar hoeft u niet boos om te worden.”
“Ik zal het u uitleggen,” zeg ik vriendelijk. “We kijken naar suiker, bloed en eiwitten…”
“En waarvoor dient dat?”
Ik ga onverstoord verder, alsof ze me niet heeft onderbroken. “… we kijken naar suiker om te kijken of u geen suikerziekte heeft, naar bloed om te kijken naar nierstenen, en naar eiwitten om te kijken of u een blaasontsteking heeft.” Dit is een verschrikkelijke vereenvoudiging, maar het is me duidelijk dat deze treiteraar toch niet echt wil weten waarvoor het urineonderzoek dient.
“Ach zo, kun je dat allemaal zien in de urine?”
“Ja mevrouw.”
“Dat is toch fantastisch?”
“Ja mevrouw.”
“Nu heb ik wat bijgeleerd omdat u me dat heeft uitgelegd.”
“Ja mevrouw.”
“Als ik me nu op voorhand had kunnen informeren over de intradermotesten…”
“Tot ziens mevrouw.”
“Maar…”
“Tot ziens mevrouw.”
En mevrouw maakt ten lange leste haar finale exit uit het schouwspel van mijn leven.

En zeg nu nog eens dat het centrum-dat-ik-niet-nader-bij-naam-zal-noemen niet behekst is…


Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.