"Kapitaal, staat en arbeid" – 1

Authors



Een korte historische terugblik

De profetische woorden uit 1974 van de toenmalige min.pres. Den Uyl uitgesproken naar aanleiding van de z.g. oliecrisis: “Het zal nooit meer worden zoals het geweest is” zijn bewaarheid geworden. Echter op een totaal andere manier dan toen gedacht werd, grondstoffenschaarste, minder gebruik van techniek en energie, een soberder leven voor werkenden en niet-werkenden. Deze zienswijze is niet bewaarheid geworden, integendeel nieuwe takken van industrie kwamen tot grote bloei, vooral op het gebied van de informatica en de telecommunicatie. De hierdoor geforceerde automatisering van onder andere de dienstensector leidde en leidt tot grote afstoting van arbeidsplaatsen en tot nieuwe kwalificaties van arbeid.

Welke mechanismen spelen bij dit alles een rol? Wat is de functie van het kapitaal en hoe kunnen we de begrippen werk (arbeid) en werkloosheid omschrijven? Daartoe wil ik proberen een schets te geven van het ontstaan van de kapitalistische productiewijze en van de rol die arbeid binnen dit economisch stelsel vervult. Dat ook de staat een bepaald belang vertegenwoordigt zal ik ook trachten aan te geven.

Jakob Fugger, de eerste kapitalist te
Augsburg (16e eeuw)

De eerste vormen van kapitalistische productiewijze zijn terug te voeren op de behoefte aan luxe goederen. Het is de adel die deze vraag schept. Aan de productie van deze goederen op het gebied van kleding, meubelen, sieraden, parfums zijn voor de bevrediging van de consumptie geen grenzen gesteld, een belangrijke voorwaarde voor kapitaalaccumulatie. Deze ontwikkeling vindt plaats op het einde van de 16e en begin 17e eeuw, het begin van kolonisatie en slavenhandel. De productie wordt vooralsnog gedomineerd door grote handelshuizen (Venetië, Lyon, Augsburg, Brugge) welke naast de handel in vooral geïmporteerde goederen als zijde, specerijen, thee, parfums en medicijnen, werkplaatsen gaan inrichten, voor de levering van grondstoffen zorgen en de vervaardigde producten verhandelen, de z.g. manufactuur. Er is een begin van concentratie van waren en productiemiddelen in handen van kapitalisten. Aan de andere kant ontstaat het proletariaat, mensen met alleen hun eigen arbeidskracht, zonder eigen productiemiddelen en geld.

boven: Jenny, de beroemde spinmachine,  die duizenden
handwerkers werkloos maakte
midden en onder: terwijl vrouwen en kinderen hun jeugd en
gezondheid verloren zaten de mannen doelloos thuis

Een belangrijke versnelling aan dit productieproces geeft de machine. In de 18e eeuw worden in Engeland de eerste machines ontworpen die niet afhankelijk zijn van handkracht (spinmachine, mechanisch weefgetouw en de stoommachine). engeland wordt zodoende de bakermat van het modern industrieel kapitalisme. Het feodale stelsel verdwijnt geheel, de (tussen-)handel neemt de plaats in van de eenvoudige ruilmarkt, verbeterde teelmethoden leveren hogere opbrengsten en de grootgrondbezitters trekken dit meerproduct tot zich. Land wordt onteigend en de plattelandsbevolking verjaagd naar de stad. Zo wordt de op het platteland ontwikkelde manufactuur vernietigd en een onafhankelijke boerenklasse houdt op te bestaan. Hiervoor in de plaats komen rijke kapitalistische pachters, die voornamelijk gaan werken met loonarbeiders, zo vanaf omstreeks 1800. Dit alles tezamen met de verkregen politieke macht van de burgerlijke klasse en de door het christelijk protestantisme gekleurde ideologie (zie Max Weber) maakt dat de verhoudingen door de manufactuur in de maatschappij gevormd, het afstemmen van de behoefte op de productie- en arbeidsverdeling in het productie proces, de uitbreiding van de productie d.m.v. mechanisatie als een natuurlijk proces wordt beschouwd. Een enorme concentratie van arbeidsplaatsen en woonruimte ontstaat. Huisvesting van arbeiders wordt gezocht dicht bij de fabrieken, veelal in oude woonwijken of nieuwe, maar met een kwaliteit van het ergste soort. De industriële revolutie is compleet.

“Survival of the fittest” (Malthus) wordt de manier van overleven, een van nature gewenste selectiemethode…! Als iedereen maar zoveel mogelijk zijn eigen belang nastreefde zou dat ten goede komen aan het geheel (Adam Smith).

De handel komt tot grote bloei. Naast de binnenlandse markt ontwikkelt zich vooral door toedoen van het kolonialisme een buitenlandse markt, welke niet alleen meer luxe goederen verhandelt, maar om zichzelf in stand te houden ook verbruiksgoederen gaat verhandelen. Technische voorwaarde voor deze handelsontwikkelingen zijn de (zee-)scheepvaart en de spoorwegen. Het zijn de spoorwegen die een zwaar stempel gaan drukken op het arbeidsritme, een universele tijd wordt ingevoerd. Bedroeg het aantal werkdagen in voor-kapitalistische tijd zelden meer als 150 à 200 werkdagen per jaar, welke was afgestemd op het eigen ritme van het menselijk organisme en op de natuur, nu werden de 300 werkdagen (of nachten) vaak overschreden. Ook andere vormen van disciplinering worden ingevoerd. Werkhuizen, gevangenissen, gekkenhuizen, verbod op landloperij en onderwijs, waarbij tucht en gehoorzaamheid voorop staan.

Met een zekere vertraging doet ook op het Europese vasteland het industrieel proces op grote schaal zijn intrede. Het eerst in België in het begin van de 19e eeuw, op het einde van deze eeuw is Duitsland al een industriële grootmacht en de voornaamste concurrent van Engeland. Nieuwe technologische ontwikkelingen doen dan hun intrede, telegraaf en telefoon, electrificatie en de ontwikkeling van de explosiemotor komen op gang en ook het eerste chemische onderzoek naar vervangende grondstoffen wordt gedaan. De economische, technische en politieke voorwaarden worden geschapen die zullen leiden tot de Eerste Wereldoorlog. Mede als gevolg van deze oorlog ontstaat een geweldige “boom” binnen het kapitalistisch productieproces tijdens de “Golden Twenties”. Een algehele electrificatie wordt doorgevoerd, radio en grammofoon, de (vracht-)auto worden normale verschijningen. Olie, rubber, glas en wegenbouw worden belangrijk. De V.S. wordt de leidende industriële natie. Ford laat de eerste lopende band ontwerpen voor massafabricatie van auto’s, de bekende T-Ford. Grondslag voor deze nieuwe vorm van arbeidsdeling levert het onderzoek van Taylor. De door de arbeiders te verrichten handelingen worden tot een minimum gereduceerd en gestandaardiseerd, gekoppeld aan een bepaalde tijdsspanne. Het Taylorisme, de mens (arbeider) als machine.

Crises had het kapitalisme tot nog toe weten te doorstaan, ze hadden het systeem nog niet in z’n geheel en tegelijkertijd getroffen. Er traden steeds verschuivingen op in plaats en tijd waar een crisis toesloeg. Zwarte Vrijdag in de herfst van 1929 veranderde dat op een slag. Een enorme werkloosheid is het gevolg en algemeen: inalles sectoren en over de hele kapitalistische wereld verspreid. In de jaren dertig wordt ons land dan ook onverbiddelijk meegesleurd in deze internationale economische crisis. De klap komt bij ons laat, in 1931, maar daarna woedt de crisis heviger en langer dan in de omringende landen. Tot deze tijd had de Nederlandse overheid een strikt liberaal “laissez-faire” standpunt ingenomen, slechts onder druk en met veel tegenwerking had ze op enkele terreinen ingegrepen mede met het oog op verbeterde voorwaarden voor de economische orde: Kinderwetje (Van Houten) en de Woningwet, anderzijds in Indië het cultuurstelsel. Het merendeel van de beroepsbevolking is dan ook niet tegen de werkloosheid verzekerd, de werklozenkassen van de vakbeweging bieden nauwelijks soelaas. De steunregeling in 1931 door de regering uitgevaardigd dient vooral om te voorkomen dat het feitelijk reserveleger van werklozen in de bedeling terecht komt en daardoor geen potentieel meer voor de productie vormt als de conjunctuur weer aantrekt.

“Rechtsgrond voor de werkloozensteun is niet de plicht van de Overheid om zooveel mogelijk te zorgen dat niemand van honger omkomt (dit is de taak der ambtenaren), maar het algemeen belang, dat gelegen is in de instandhouding tijdens de crisis van het productieapparaat”, aldus de hoogst ambtenaar van het Ministerie van Financiën, Van Doorninck, “alleen zij worden gesteund, die voor dat productieapparaat waarde bezitten.”

De steunregeling moet tevens een bijdrage leveren aan de verlaging van de lonen in ons land. De hoogte van de steun wordt herhaaldelijk bijgesteld omdat er nog geen sprake is van ondervoeding, het “ethisch minimum” is nog niet bereikt!

De uitvoering van de steunregeling is doortrokken van een diep wantrouwen jegens de werklozen. Elke steuntrekker is in aanleg een onvolwaardige arbeidskracht of een fraudeur. De controle is dan ook ongemeen scherp. Rechteloosheid, maatschappelijk isolement en de permanente druk van ambtelijke willekeur tekenen het leven van werklozen. Onder Romme, “het kwartje”, mondt het beleid uit in een eerste aanzet tot verplichte registratie van alle arbeiders, verplichte arbeidsdienst en gedwongen tewerkstelling van werklozen in Nazi-Duitsland. Voor een aantal hoge ambtenaren komt de Duitse bezetting als bevrijding, ze zien hun kans schoon hun denkbeelden ongehinderd uit te voeren. Iedere Nederlandse arbeider wordt geregistreerd en de Arbeitseinsatz naar Duitsland wordt op poten gezet. Het fascistisch recept van Nazi-Duitsland ter bestrijding van de werkloosheid door het investeren in de oorlogsindustrie heeft dus steeds op welwillende medewerking mogen rekenen van grote delen van de Nederlandse overheid. Andere (consumptieve) productie is immers door de crisis minder aantrekkelijk geworden door de stagnerende afzet, feit waarvan het mechanisme van het kapitalistisch productieproces zelf de oorzaak vormt.

Liberale en andere burgerlijke economen wensen nog steeds de oorzaken van een crisis buiten het systeem te zoeken. Als het kapitalistische productieproces in cycli steeds weer op nieuwe dieptepunten uitkomt, dan mag gewoonweg niet waar zijn hetgeen Marx al voor meer dan honderd jaar ontdekte, dan mag alles en iedereen schuld zijn aan de crisis, echter niet de werkelijke veroorzaker: het kapitalistisch productieproces. Een crisis begint met overproductie en een dalende winstvoet alsof de kapitalistische wereld steeds weer de wet van Marx moet bewijzen m.b.t. de tendentiële nivellering/daling van de winstvoet (“tendenziellen Fall der Profitrate”). Het is de verdienste van de Engelse econoom Keynes dat hij de problematiek van de conjuncturele schommelingen en daaraan gekoppeld de ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen het kapitalistisch systeem zelf zocht. Hij zet in zijn werk: “Algemene theorie over de werkloosheid, de rente en het geld” de oude traditie voort van een onafhankelijk kritisch denken en ontwerpt radicale hervormingen die tot een vergaande nivellering van de inkomens moeten leiden en waarbij de staat een tamelijk omvattende rol krijgt toebedeeld op het gebied van de investeringen. In de V.S. zal zijn in 1936 verschenen werk echter nauwelijks invloed krijgen omdat de aandacht verschoven wordt naar de oorlogsvoorbereiding. Is het werkloosheidspercentage op het einde van de dertiger jaren nog rond de 17% (in 1933 was de top met 24,9%), in 1944 is deze gedaald tot 1,2%. Na de WO II is Keynes weliswaar niet vergeten maar zijn wer verwordt tot “Bastard-Keynesianism”, een receptenboek tegen conjuncturele schommelingen. De overheid krijgt bij deze benadering ook een rol toebedeeld op het gebied van investeringen, met echter weinig of geen invloed op het werkelijke productieproces en tracht via harmoniemodellen (in Nederland de SER, de sociaal-economische raad, rechtstreeks ontleend aan het fascistisch Italië) de arbeidsvrede te behouden en de prijs- en loonontwikkelingen in de hand te houden alles ten faveure van de voortschrijdende kapitaalaccumulatie. In beperkte zin heeft dit overheidshandelen gunstige effecten gehad, de “Welfare-State” met zijn sociaal zekerheidsstelsel en een overvloed aan consumptiegoederen is er vooralsnog een gevolg van.

Ook het werkgelegenheidsbeleid heeft tot in de zeventiger jaren behoorlijk gefunctioneerd. Door de schaarste aan arbeidskrachten ontstaat een geweldige zuigkracht op arbeiders uit landen met een lagere levensstandaard en beperkte industriële werkgelegenheid als Turkije en Algerije. Ze vormen het ideale reserveleger voor het kapitalistisch productieproces, ze kosten minder en hebben minder rechten en kunnen dus makkelijk afgeschoven worden. Ze vallen grotendeels uit de boot als op de zegeningen van de “Welfare-State” aankomt.

In de eerste 20 tot 25 jaar na de WO II beleeft de kapitalistische economie een krachtige en aanhoudende groei. De wederopbouw, de invoer van het particulier autobezit met daaraan gekoppeld investeringen in de stedenbouw en wegenbouw, het omzetten van technische vernieuwingen uit de oorlogsindustrie voor burgerdoeleinden en particuliere consumptie (vliegverkeer, communicatiemiddelen, een veelheid aan electronische apparatuur) en het opbouwen van een reusachtig militair apparaat zijn de voorwaarden voor deze kapitalistische ontwikkeling. Ook allerlei akkoorden en verdragen hebben een gunstige en stabiliserende functie op deze ontwikkeling: Marshallplan, GATT (verlagen handelsdrempels), Bretton Woods (dollarstandaard, Wereldbank en IMF) en natuurlijk ook de NAVO en de EEG.

De rol van de V.S. is samengevat in een oude Sovjet-grap: “Wat is het grootste probleem waarvoor de president van de Verenigde Staten zich geplaatst ziet? – Is het mogelijk kapitalisme in één land te hebben?” Het imperialisme heeft ontegenzeggelijk onder invloed van het kapitalistisch systeem na de WO II een enorme vlucht genomen. De bekroning hiervan ziet Rockefeller, directeur van de Chase Manhattan Bank, als zijn bank een filiaal in Moskou zou kunnen openen! Kenmerken van deze wereldomspannende expansie zijn een mondiale arbeidsverdeling, waarbij het produceren voor de thuismarkt in Derde Wereldlanden ondergeschikt gemaakt wordt aan de behoeften en rendementen van de kapitalistische centra, politieke en culturele onderdrukking van deze landen en ze opzadelen met een enorme schuldenlast volgens het oud-christelijk principe van schuld aanpraten in materiële en immateriële zin. De tegenstelling rijk – arm wordt steeds scherper, per hoofd van de bevolking verbruikt een Amerikaan 20 à 300 keer zoveel uitputbare hulpmiddelen als een Indiër.

 

Hiertegenover staat de doordringen van het gehele maatschappelijke leven in de westerse wereld door het kapitalistisch productieproces. Niet alleen wat de klassetegenstellingen betreft en de strikte arbeidsverdeling, maar ook in de zin van scheiding van arbeid en vrije tijd, ruimtelijke scheidingen (wonen, werken, recreatie), een bijna totale zeggenschap over het distributieapparaat, invloed op de aard van onderwijs, het kapitaliseren van de vrije tijd (media, sport, vakantie enz.) en niet te vergeten het vervoer, vanwege de gecreëerde behoefte aan verplaatsen. Mensen worden het belangrijkste transportgoed. In het derde deel wil ik op de hier aangeduide punten nog wat verder ingaan.

De opbouw van industriële capaciteit tijdens de jaren van voorspoed heeft geresulteerd in een geweldige overcapaciteit met name in de scheepsbouw, de staal-, auto-, textiel- en petrochemische industrie. De kapitalistische wereld beconcurreert elkaar in verhevigde mate. De amerikaanse dollar raakt zijn bevoorrechte positie kwijt. Gevolg: stagnatie, toenemende werkloosheid, een toenamen in ongebruikte productiecapaciteit en een daling van investeringen. De consumptie wordt op peil gehouden in de V.S. door consumentenleningen, een ware explosie van schulden ontstaat, in onze verzorgingsstaat wordt getracht de koppeling tussen (verlaagde) lonen en uitkeringen in stand te houden.

Gonny Scaf / Maastricht / april 1987

 

 

afbeeldingen uit: Otto Rühle, Illustrierte Kultur- und Sittengeschichte des Proletariats – Verlag Neue Kritik (1930)

 

Gebruikte literatuur:

– “De Groene Amsterdammer” – jaargangen 1974 tot heden: artikelen over een veelvoud van onderwerpen, van “oliecrisis” en “arbeiderszelfbestuur” tot “filosofen rond Lubbers” en “vrouw en armoe”. over en van Siep Stuurman, Charles Levinson, prof. Teulings, Habermas e.v.a.;

– “Das Argument” – nr. 144 (1984): “Arbeitsteilung und Frauenpolitik”, nr. 145 (1984): “Krise und Keynesianismus” en nr. 158 (1986): “Das Reich der Marktfreiheit”;

– Günther Anders: “Die Antiquiertheit des Menschen” – Zweiter Band – pag. 91-109 (München, 1980);

– Cornelius Castoriadis: “Les carrefours du labyrinthe” (Duits: “Durchs Labyrinth – Seele, Vernunft, Gesellschaft”) – pag. 195-220 (Frankfurt am Main, 1981);

– Herbert Marcuse: “Geweld en vrijheid” – politieke opstellen (Amsterdam, 1977).



“Kapitaal, staat en arbeid”:

deel 2 – Crisis tachtiger jaren
deel 3 – Werk en Werkloosheid

 

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: