Ideologische componenten in de theorieën over fascisme

Heinrich Zille


 

Wolfgang Fritz Haug

 
Max Horkheimer beschreef in 1939 een maatschappelijke ontwikkeling, “die de sociale karakters tot in hun kern aantast” en die, gezien haar historische betekenis, herinnerde aan de door de Reformatie bewerkte metamorfose van de middeleeuwse ambachtsman in de protestantse burger, en van de Engelse plattelandspauper in de arbeider uit de moderne industrie, n.l.: “de transformatie van de onderdrukte werkeloze uit de 19de eeuw tot het ijverige partijlid van fascistische organisaties.” 1 Het resultaat van dit proces, dat destijds bloedig en gewelddadig verliep, wordt nu, na een kwart eeuw, als vanzelfsprekend en normaal beschouwd in westerse, geïndustrialiseerde maatschappijen als de Bondsrepubliek. Het werkt door als een latente historische norm, die gedrag en reflectie van het individu en de door de maatschappij gehanteerde machts- en integratietechnieken evenzeer bepaalt als het wetenschappelijk denken daarover. Het moderne sociale type, dat zich eigen heeft gemaakt wat in het fascisme werd gerealiseerd, is de herhaaldelijk beschreven (of bewust gepropageerde) “aangepaste”, “van buiten geleide” (Riesman), of hoe de termen verder ook mogen luiden. Opnieuw speelt deze simpel de “rol”, die men van hem verlangt. Door sociologie en psychologie wordt de technische kennis geleverd om dit proces doelmatig te verhaasten. “Ik meen me niet te vergissen”, schrijft Hofstätter, daarmee zijn eigen programma uitbreidend, “als ik de impuls tot bestudering van de jongste groepsdynamiek karakteriseer met: de machine ontstoren! 2 Het enige dat telt, is het soepel doorlopen en vervullen van functies; wat hoger mikt of reflecteert over de zin ervan, wordt als ideologisch afval verworpen. Voor aanpassing en louter functioneren is geen overtuiging nodig. Want de daarvoor vereiste rationalisering en objectiviteit betekenen in feite nog teveel potentiële kritiek en distantie van “het feit dat het nu eenmaal zo is”. Het door Raymond Aron en vele anderen aangekondigde tijdperk van de ontideologisering, waarin, met het verdwijnen van de ideologie, ook de klassenstrijd aan zijn eind moet komen, begon in het fascisme: “binnen de nationaal-socialistische machtswerkelijkheid was gelegenheid te over voor elke cynische verachting van ideologie, die conform was aan de heersende machtswil, maar niet voor de uitdrukkelijke wens om een ideologie, die met verachting voor macht gepaard ging.” 3
 
“In dat licht bezien bevatten de voor het gerecht afgelegde verklaringen van degenen die belast waren met de vernietiging – tot prototypen als Eichmann of Höss toe – ‘als zouden zij persoonlijk geen antisemieten zijn geweest’ nog een kern van waarheid ook. Of ze dat nu wel of niet waren is even irrelevant als de vraag of de man, die de kerkbelasting int, in god gelooft.” 4 Sindsdien hebben machtswil en de technieken om zich van de macht meester te maken, zich verder gemoderniseerd. Hun theoretische uitdrukking kan elke duidelijke ideologische uitspraak of iedere explicatie van de inhoud missen: onder het mom van desinteresse voor zuivere theorie hebben ze hun macht gevestigd als de macht van het functionele aspect over het hele denken. Ten tijde van het nationaalsocialisme bleek al een dergelijke visie in de theorieën over het fascisme van veel geëmigreerde intellectuelen en in hun herhaalde oproep tegen dit verschijnsel. “Ze menen”, schreef Horkheimer destijds, “dat alles wat maar functioneert ook goed moet zijn, en bewijzen dus dat het fascisme niet kan functioneren. 5 Horkheimer benadrukte daarentegen de stelling, dat het fascisme zich de praatjes over noorde ‘Physik’ juist kon permitteren, omdat het over het best gepolijste machtssysteem beschikte.
 
Alfred Krupp motiveerde na 1945 zijn partij-kiezen “voor Hitler” met het argument, dat deze de “chaos” de baas was geworden, en voor de economie een periode van ongestoorde rust had gegarandeerd. “Onder zijn leiding voelden wij ons na enkele jaren allemaal beter… Wij, Kruppianen, hebben ons nooit veel om het leven bekommerd. Wij wilden alleen een systeem dat goed functioneerde en ons in staatsgelden om rustig door te gaan.” 6
 
Terugblikkend op die tijd ziet Herbert Marcuse als het ware een ‘kloof’ tussen de essays die hij destijds, na zijn emigratie, in het buitenland schreef, en de huidige tijd: “Destijds was het nog onduidelijk, dat door de militaire en administratieve overmeestering van het fascisme de maatschappelijke structuren, waaruit het was voortgekomen, gemoderniseerd en productiever gemaakt zouden worden, maar niet terzijde zou schuiven.” 7 “tegenwoordig is totale administratie noodzakelijk, en de middelen staan ter beschikking: bevrediging van de massa, marktonderzoek, bedrijfspsychologie, ‘computer mathematics’. En de zogenaamde ‘science of human relations’ zorgen voor een soepel, democratisch en automatisch samengaan van individuele en maatschappelijke behoeften en van autonomie en heteronomie – de zogenaamde ‘vrije keus’ van wat en wie wel gekozen moeten worden, wil dit systeem zich kunnen handhaven en uitgroeien. De democratische opheffing van het denken, waarmee de ‘common man’ als vanzelf wordt geconfronteerd en die door hemzelf wordt voltrokken (in zijn werk, in het gebruik en genot van het productie- en consumptieapparaat), wordt in hoger sferen veroorzaakt door die positivistische of positieve richtingen in filosofie, sociologie en psychologie, die het bestaande maatschappelijke systeem tot het enige kader verklaren, waarbinnen begripsvorming en begripsontplooiing mogelijk zijn.” 8 Naar de aldus gekarakteriseerde situatie en haar eisen richten zich vooral de ‘meest geavanceerde’ theorieën over het fascisme. Ze moeten vóór alles voorkomen, dat men inzicht krijgt in de maatschappelijke samenhang tussen het fascisme en de ‘formierte Gesellschaft’ (Erhard) van thans. Het geolied functioneren op zichzelf van deze maatschappij, is het doel en de ideale basis van de “general theory”, waar alle moderne theorieën naar streven. Karakteristiek voor deze theorie is het verwijderen van elke doelstelling, als een vorm van ideologie, uit de wetenschap. Deze technologische versie van het organicisme vormt de achtergrond bij de beschrijving en veroordeling van het fascisme. Alles wat verder gaat dan het louter functioneren – dat wordt beschouwd als een waarde die elke kritiek te boven gaat – wordt afgedaan met: storing, onaangepastheid, neurose, crisis of ideologie. Niet de maatschappij produceert de crises, waarop het heilspathos van ideologische uitspraken het antwoord is, maar de zogenaamde ‘ontaarde ideeën’. Dergelijke ideeën worden op rekening geschreven van theorieën als die over de “materialistische” massa’s, die in het tijdperk van de “geloofscrises” de grondslag zouden leggen voor “hiernamaalsreligies”, – of ook op die van grote persoonlijkheden en hun ontaarding, die met hun demonisch genie hun macht over de massa’s vestigen.
 
Wie het echter heeft over “Hitlerisme”, laat het liberalisme als maatschappelijk systeem buiten beschouwing. De burgerlijke theorieën laten overal verstek gaan daar, waar hun kritiek op het fascisme zou moeten overgaan in kritiek op de burgerlijke oorsprong daarvan. Want wanneer men de maatschappelijke wortels van het fascisme eenmaal blootlegt, is het onmogelijk het te isoleren als een faux pas. Maar door het te isoleren – waardoor men het verontschuldigt – maakt men het tevens tot een duivels verschijnsel, om het zo nog verder buiten de grenzen van het fatsoen te sluiten. Waar het fascisme verschijnt als “amok” (Buchheim) van een “immorele profeet” (Wordt), en als “terugkeer tot de barbarij van de hele geschiedenis” (Helga Grebing), is de officiële geschiedenis gerehabiliteerd. Vooral wordt de “politie-tronie” van de geschiedenis en het door macht beschermde privilege op ‘Bildung’ gerehabiliteerd, als het fascisme wordt geïdentificeerd met Hitler als een “gebrekkig ontwikkelde misdadiger” (Glum). Deze opvatting wordt juist vaak gedeeld door mensen met de beste bedoelingen. Het heet dan, dat “alle nazi’s misdadigers zijn, die aan de galg horen”. Maar een maatschappij heeft altijd de misdadigers die ze verdient. De misdaad legt alleen de handelsgeheimen van het bestel bloot. De vervolging van de misdaad heeft de functie, de misdaad te monopoliseren. Het is de categorie waaraan de zwakkere concurrenten overgeleverd worden.
 
Dit is de betekenis van de jacht op personen, die tegenwoordig voor veel mensen de plaats van een theorie over het fascisme heeft ingenomen. Dat in de beklaagdenbank van de kampprocessen zorgzame huisvaders, dierenvrienden en gesoigneerde procuratiehouders zitten, toont duidelijk de ideologische kunstmatigheid aan in het dualisme van burgerlijke deugd en beestachtige wreedheid. Maar zelfs als men de onheilsgeschiedenis in het persoonlijke-moralistische vlak trekt, dreigt een kritische situatie te ontstaan voor de instanties, die het vonnis voltrekken, en hun maatschappelijke fundament. Want ook de individuele wreedheid heeft haar geschiedenis. Ze is onderworpen aan hetzelfde principe, dat alleen “houding, maar geen inhouden” (Grebing) toelaat, dat zowel voor het fascisme als voor zijn burgerlijke rechters en vervolgers fundamenteel uitgangspunt is. Daarom wordt de ideologische strekking van de individuele geschiedenis van de “daders” verlegd naar de platonische hel van antropologische invariabele. Aan de schaduwzijde van de burgerlijke cultuur komt de zelfstandigheid van mythische agenten te kleven. Absolute machtswellust en heerszucht woeden. Het onderlijf triomfeert. Laaghartigheid wint het van edelmoedigheid. Fascisme is “het rijk van de kleine demonen” (Niekisch). De situatie is nu precies omgekeerd: de beklaagden worden vrijgesproken, de aanklagers onderdrukt. Het schrikbeeld van het schuim van de maatschappij, zo goed door de fascisten geconserveerd, dient tegenwoordig de meeste burgerlijke theoretici als houvast tegen het fascisme. Zoals toen rechtvaardigt het de orde waarvan het fundament onaangetast bleef voortbestaan. Het beroep op de menselijke natuur en haar boosaardige aandriften is niet verstoken van waarheidsmomenten. Vaag vermoedt men op de bodem van het lugubere iets natuurlijks. De maatschappij ging als het ware instinctief op het fascisme af. De doelloze consequentie van de geschiedenis heeft veel weg van biologische processen. Verder hangt deze af “van de krachten – de een spreekt van voorzienigheid, de ander van noodlot of alleen maar toeval – die in de biologie mutaties, in de geschiedenis keerpunten en catastrofen veroorzaken, waarvan de oorsprong voor ons verstand onachterhaalbaar is.” 9
 
De burgerlijke maatschappij wordt vaak voorgesteld als een tegen natuur en chaos opgeworpen dam. Het fascisme wordt dan gezien als de catastrofale instorting daarvan. Volgens de heersende mening vond de instorting niet wettig plaats, betekende juist het verbreken van alle wetten. Niet de grote samenhang, maar de abrupte keerpunten waarbij alles op het scherpst van de snede kwam te staan, bepalen het beeld. Het idee van de geschiedenis dat hierachter steekt, is dualistisch. Twee rijken, het barbaarse van de natuur en het culturele van haar onderwerping, wedijveren met elkaar. Men geeft te kennen dat hun botsing de onveranderlijke zin uitmaakt van al wat gebeurt. Dergelijke voorstellingen horen thuis in het ideologische type dat alles in projecties oplost. In feite wil dit zeggen dat een maatschappij waarin rationaliteit en techniek alleen maar in dienst staan van particuliere belangen: als wapens in de strijd om het bestaan, het slachtoffer is geworden van de natuur. Dit is het model van die ‘permanente oorlog’ waarin De Man ‘de meest directe bedreiging van onze cultuur’ zag. Maar ideologisch getint is zijn opvatting dat de oorlog ‘wat hem betreft alleen als product van massificatie (en wel in het bijzonder van de massaorganisatie, massa-angst en massapropaganda) begrepen kan worden’. 10 Veeleer moet hij opgevat worden als product van de economische constellatie waarvan hij het principe in het internationale vlak trekt. Zijn verinnerlijking, zijn bezinksel en reactiepatronen in het sociale karakter vormen de instinctieve, duistere bodem, die als menselijke natuur verkeerd begrepen wordt. Deze foutieve interpretatie stelt het onderdrukte driftleven en de maatschappelijk onderdrukte zwakkere groep verantwoordelijk voor de onderdrukking, die juist daardoor gerehabiliteerd wordt. De nazi’s staan met hun Untermenschentheorie niet alleen. Ze correspondeert met de burgerlijke theorieën over het fascisme. Tot in de kleinste details lijken veel argumenten waarmee de nazi’s de kruistocht tegen socialisten en communisten propageren, op die van de hedendaagse ‘anti-fascisten’ die graag zouden zien, dat in het fascisme nog het zogenaamde spiegelbeeld van het communisme bestreden wordt. Hun theorieën resulteren uiteindelijk daarin, dat de aanspraak van de massa op het traditionele privilege van de bezittende klasse: verlichting en aards geluk, het totalitaire proces heeft ontketend. Dit proces is, naar men algemeen aanneemt, veroorzaakt door een crisis van de ‘geestelijke waarden’ en de desintegratie van religieuze banden. De van de mensen – vooral uit de lagere klassen – geëiste en ‘systematisch ingepompte resignatie’ (Gehlen) zou niet meer zo klakkeloos opgebracht worden, als dat in ‘gezonde tijden’ gebeurd moet zijn. ‘Het aanpassingsproces aan al te gemakkelijke levensvoorwaarden betekent ontaarding’, dreigt Gehlen. 11 Theorieën die ontaarding en verval, crisis en ondergang verkondigen, kan men onmogelijk loskoppelen van de ideologische beweging, die tot het fascisme leidde – niet in laatste instantie van het antisemitisme. De vormen waarin een diffuse ondergangsstemming zich concretiseerde, variëren. J.K. Huysmans gelooft, ‘dat het verval sinds het eind van de dertiende eeuw gaande is’, en De Man vindt, dat deze visie ‘bijvoorbeeld wat betreft de architectuur en de plastische kunst… volledig opgaat. Dit tijdstip valt ook ongeveer samen met het ogenblik waarop de verzwakking en splitsing van de religieuze impulsen in onze cultuur een aanvang namen’. 12
 
De theoretici van het totalitarisme laten het met de revolutie van 1789 als ‘religie van het hiernamaals’ geboren worden. In zulke theorieën, die ‘rood en bruin’ met elkaar identificeren wint rechtvaardiging van het anticommunisme het evident van historisch inzicht in het fascisme. In het gunstigste geval is hun afzwering van het totalitaire het herstelde, post-fascistische kapitalisme begrepen. Daarmee verwerpt men de geschiedenis überhaupt. Dit is in zoverre juist, daar het fascisme – waarmee Kant de Franse Revolutie bestempelde: een teken in de geschiedenis is, dat eens en vooral het louter voortgaan en verder functioneren aanklaagt. Nergens openbaarde zich zo kras de jungle-wet van de concurrentie-maatschappij. Daarom verachten moderne sociaal-technici het fascisme. In het fascisme waren de technologische mogelijkheden macht op te heffen er juist oorzaak van, dat uitoefening van macht tot een vernietigend extremisme opgevoerd werd. Zijn heilspathos, tegen het idee van een vrije maatschappij gericht, geeft hoe dan ook uitdrukking aan die kansen. Zijn praktijk vertoont op vele punten het karakter van een vlucht uit het historisch begrijpelijk afbrokkelen van door macht gesystematiseerde discipline. Degenen die op een meer geslepen wijze het fascisme afwijzen, en het vanuit een technische en hoger ontwikkelde standaard beoordelen, zwijgen als het graf over twee vragen: over het cui bono, dus welke maatschappelijke machten van het fascisme gebruik maakten, en aan de dialectische antipode, over zijn historisch recht. Maar het is de bedoeling, het misvormde protest te ontcijferen dat met het fascisme verweven is. Een kardinale moeilijkheid ligt in de dichotomie die elke complexe weergave van het fascisme uiteenscheurt: tussen het feitelijke machtsproces en het ideologisch rijk der geesten. Legt men de nadruk op één van de beide kanten, dan dreigt men de andere uit het oog te verliezen. Voert men de noodzakelijke anatomie uit van de belangen en de economie van het fascisme, dan worden de fascisten en hun ideologische impulsen, dus zijn ‘massa-basis’, en de protesten en pathologische ervaringen, tot een geïsoleerde en daardoor onbegrijpelijke pendant. Dit is het probleem van een al te mechanistisch, simplificerende marxistische analyse. Daarentegen ontsnapt het fascisme als maatschappelijke realiteit aan het fenomenologische laten praten en analyseren van de fascistische zelfopvatting dat de fascisten en historische motivaties plausibel beschrijft.
 
Wanneer men structureel-functionele notities maakt over storingen en afwijkingen van het ideale model, dan wordt de historische tendens aan het oog onttrokken. Vanuit het vacuüm van het functionerende model geeft deze methode even formaliserende beschrijvingen van zowel het machtssysteem als de heilsideeën, als van storingen in het organisme. Haar als een apparaat werkend, gesloten systeem van abstracte tekens is de laatste burgerlijke ideologie. Ze berooft inhoudelijke ideologiekritiek van haar onderwerp. Maar bij toepassing op de geschiedenis van het fascisme worden via een achterdeurtje de meest zonderlinge ideologische uitspraken binnengehaald. De rationaliteit van haar systeem verklaart alles wat niet in haar past, met name doeleinden en inhoud, tot irrationaliteit. Want het mag aan het systeem niet liggen, – dat is het taboe van de laatste gesloten ideologie. Inhoudelijke ideologische uitspraken komen daarom niet meer in haar systeem voor. Ze zijn als het ware naar het niveau van loos tanggeklak verplaatst. Men treft ze vaak alleen nog in terzijdes en bijzinnen aan. Dikwijls schijnt het maar een kwestie van woordkeus, wat ideologische kleur geeft aan de uitspraken over fascisme. De kritiek heeft de taak, de uiteenlopende ideologische componenten op hun historisch gehalte na te gaan. De per ongeluk geplaatste uitspraken over geschiedenis worden dan zelf tot historisch materiaal, dat buiten eigen toedoen bijzondere zeggingskracht krijgt. Het blijkt dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de tendens in de geschiedenis, die het fascisme veroorzaakte. De burgerlijke theorieën over het fascisme zijn niet in staat, zijn duistere structuur verhelderend te doorbreken. Eerder moderniseren ze die structuur.

 
 
VOETNOTEN
 
1. Max Horkheimer – Die Juden in Europa, in: Zeitschrift für Sozialforschung. Band VIII, Paris 1939, p.118.
2. Peter R. Hofstätter – Gruppendynamik, Kritik der Massenpsychologie. Hamburg 1957, p.42. Zie ook, voor kritiek op H., ‘Konkret’, november 1963, Labyrinth und Grundgesetz.
3. Joachim C. Fest – Das Gesicht des Dritten Reiches – Profile einer totalitären Herrschaft, München 1963, p.227.
4. Margarita von Brentano – Die Endlösung – Ihre Funktion in theorie und Praxis des Faschismus in: Antisemitismus – Zur Pathologie der bürgerlichen Gesellschaft, Hrsg. H. Heiss / A. Schröder, Frankfurt/M 1965, p.67.
5. Horkheimer – ibidem, p.135.
6. Geciteerd naar Léon Poliakow en Josef Wulf – Das Dritte Reich und die Juden, Berlijn 1955, p.36. Vergelijk Brentano, ibidem, p.72 en verder.
7. Herbert Marcuse – Vorwort zu: Kultur und Gesellschaft I, Frankfurt/M 1965, p.7.
8. ibidem, p.9.
9. Hendrik de Man – Vermassung und Kulturverfall – Eine Diagnose unserer Zeit, Bern 1952, p.185.
10. l.c., p.6.
11. Arnold Gehlen – Anthropologische Forschung – Zur Selbstbegegnung und Selbstentdeckung des Menschen, Hamburg 1961, p.39.
12. De Man, l.c., p.175.


Bron: Das Argument – Heft 33 – Faschismus-Theorien [III] – mei 1965


AANBEVOLEN LITERATUUR
 
Elias Canetti – Masse und Macht (1960)
Max Horkheimer und Theodor Adorno – Dialektik der Aufklärung (1947)
Götz Aly und Susanne Heim – Vordenker der Vernichtung – Auschwitz und die deutschen Pläne für eine neue europäische Ordnung (1991)
Götz Aly – Endlösung – Völkerverschiebung und der Mord an den europäischen Juden (1995)
Götz Aly – Hitlers Volksstaat – Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus (2005)

 

Uitgelichte afbeelding: bron onbekend

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.